elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: duit

duit , dait , doit , Stad-Groningsch doit = duit; Deensch doit. Middel-Nederlandsch doyt.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
duit , duit , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie zegsw. op gek, plecht.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
duit , duit , Het is zoo zeldzaam als een Uitersche duit (Harrebomée, Utr. Volksalm. 1864, 229): het is in ’t geheel niet zeldzaam.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
duit , däut , vrouwelijk , duit
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
duit , dùejte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , dùejtn , dùejtjen , duit
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
duit , deut , duit , zelfstandig naamwoord de , Wielnaaf. Het woord is waarschijnlijk verwant met Nederlands duit. Zie het N.E.W. onder duit.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
duit , duit , zelfstandig naamwoord de , Muntstuk, in de zegswijze ’t is zô waar as ’n duit ’n duit (is), het is beslist waar. Verkleinvorm duitje, in de zegswijze ’n duitje pikke, een extraatje (trachten te) verdienen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
duit , duit , duut , de , duiten, duten , duit, cent Het is gien duit wèerd (Sle), Kom mar is op met de duiten (Pdh), Albert wul ok al een duit in het zakkie doen (Hgv), Hij hef gien rooie duit (Ass), Hij is op de duiten (Bui), Dat hef een mooie duit ekost (Hol), Hij is op de duiten as de duvel op zielen (Hol); duut (Zuidwest-Drenthe, noord) = duit Het giet in de wèreld vaeke um de duut en de fluut (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
duit , dòit , duit. verkl. doitje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
duit , duit , duit
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
duit , dûite , geld , Méskes die flûite, kriige manne meej dûite. Meisjes die fluiten, krijgen mannen met geld. Kokette mooie meiden, komen makkelijk aan een rijke man.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
duit , duit , zelfstandig naamwoord , de 1. duit, oude koperen munt 2. bedrag dat een duit waard was: achtste deel van een stuiver 3. (vaak mv.) geld
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
duit , duit , uitdrukking , duit Hij wil ôk een duit in ’t zakkie doen Hij wil ook wat zeggen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
duit , duet , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , duete , duetsje , duit , VB: 'n duet wäor 'n meunt van vreuger dy hil wienig wêrde haw. Zw: Dat ês geng roej duet wërd Zw:. Oppe duete oét zién: gierig zijn; oppe duete oét zién geld (op het geld uit zijn) oppe duete oét zién; op z'n duete zitte gierig (gierig zijn) op z'n duete zitte; geng roej duet wërd zién waard (niets waard zijn); geng roej duet wërd zién
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal