elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: en

en , en , "zegt men hier nog zeer veel als de oudtijds voor het werkwoord gevoegde negatie, als: hij en doet zulks niet; ik en doe het niet, het en zal nog niet
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
en , en , als negatie; hé zei, dat e ’t niet en wist; as ik ’t n(i)eet en hebbe, dan kan ’k ’t ok n(i)eet geven.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
en , ond , und , (Westerwolde) = en, Hoogduitsch und.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
en , en , In den bijzin hoort men nog vaak dit ontkenningswoordje. Ik gelöve dak’t n(i)eet en dô. Zekt maor dak n(i)eet en komme. Ook dubbele ontkenningen komen veel voor b.v. Ik heb ’m nog nooit n(i)eet eglöfd. Ik heb nargens gîn mér (h)ékel an.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
en , [voorzetsel] , en , (voorzetsel) , ’n Zündag, ’n Maondag enz. beteekent: aanstaanden of verleden Zondag, Maandag. Mnl. en, voorzetsel.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
en , en* , [voegwoord], vgl. wachten * 2 en: veul ; zie ook: zoowat .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
en , en* , als uitgang [bl. 517], vgl. ing * [bl. 529.]
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
en , en , ook achter de namen der dagen, als een bepaald deel van den dag moet worden aangewezen, en met verdubbeling van de ɡ; zoo bvb. Zundaggennacht voor: Zondagnacht. Gevormd als altieden, halftieden, hijltieden, datten, [bl. 510.]
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
en , und , (het Hoogduitsche “und”, Nederlandsch uitgesproken), een enkele maal voor “en”, zie kallen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
en , [negatieve partikel] , en , negatieve partikel. ’K en zou-t-uwe niet kenne zegge. Asdat ik ’t nie’-en-weet, - niet en doei, enz. Asdat ie niet kommen-en-kan. Hij zee dattie ’t niet en dee.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
en , en , In den bijzin hoort men nog vaak dit ontkenningswoordje. Ik gelöve dak ’t n(i)eet en dô. Zekt maor dak n(i)eet en komme. Bèter d(i)ee n(i)eet ’n wil as d(i)ee n(i)eet ’n zal. H(i)ee weet ’n ens n(i)eet hu late of ’t is. Luie stinkerd daor î n(i)eet ’n loopt! Die je bent! Ook dubbele ontkenningen komen veel voor, bv.: Ik heb ’m nog nooit n(i)eet eglöfd. Ik heb nargens gîn m(i )eer (h)ékel an. Niet beschaafd.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
en , en , (voorzetsel) , ’n Zündag, ’n Maondag enz. beteekent: aanstaanden of verleden Zondag, Maandag. Mnl. en, voorz.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
en , n? , 1. vragen om een bevestiging 2. wat zeg je?
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
en , en , enne , en.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
en , en , aaneenschikkend voegwoord , en Ie mut man en peerd numen (Zdw), De aine gung fietsen en de aander ging lopen (Eco), En, wat zee e? (Bov), Do mos hen hoes gaon en dij antrekken (Sle), En wat zul dat dan nog? (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
en , en , en
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
en , in , voegwoord , [zeldzaam] en
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
en , èn , en
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
en , én , en
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
en , enne , en nu, wat nu, en? , ‘Enne?’ ‘Ouch enne!’ ‘Aoh denne!’ ‘Enne … waat duutj det, zitj dich get inne waeg?’
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
en , enne? , 1. is er nog nieuws? 2. wat vind jij ervan? 3. hoe gaat het ermee? 4. zou je niet eens ophouden?
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
en , èn , voegwoord , en
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal