elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ergje

ergje , archie , (Hoogezand) = ergje; zij har’t op ’n archie = zij had er een geheime bedoeling mee.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ergje , ergje , (erchie) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Alleen in de zegsw. dat gaat met een ergje, dat is op een ergje, dat gebeurt met een zientje, met een bijbedoeling, in de hoop dat meteen een ander doel wordt bereikt. Vgl. Ned. erg in iets hebben. || Nou hoor, dat doet-i ok mit ’en ergje. ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 110).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ergje , errechie , kier. De deur op ’en errechie zette, - loate = de deur ‘aan’ zetten, ‘aan’ laten (staan).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
ergje , ergie , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze ’t mit (om) ’n ergie doen, het met een bepaalde bedoeling doen. Vgl. Fries eat mei in erchje dwaen. – Mekaar mit ’n ergie ankoike, elkaar met een bepaalde bedoeling, met een blik van verstandhouding aankijken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal