elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fleppen

fleppen , fleppen , Drinken, zuipen. H(i)ee hö̀ldem tégenswoordig arg an de lippe; h(i)ee is daonig an de flep. An de flep wèzen, schertsend voor: diarrhee hebben. Ook plat: coire.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
fleppen , fleppen , geluidnabootsend: klokken, smakken of iets derg. Ik hoorde zo’n geflep.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
fleppen , fleppen , Drinken, zuipen. H(i)ee hö̀ldem tégenswoordig arg an de lippe; h(i)ee is daonig an de flep. An de flep wèzen, schertsend voor: diarrhee hebben. Ook plat: coire.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
fleppen , fleppen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = met kracht neerkomen van regen Het flepte zomaor dale (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
fleppen , [achterbaks smoezen] , fleppen , 1. achterbaks smoezen; 2; met kleine slokjes drinken; 3; klokkend of smakkend geluid maken; 4. veel drinken; 5. slijmen; 6. zoenen; 7. geslachtsgemeenschap hebben (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal