elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: herberg

herberg , hèrbèrge , harbarge , (vrouwelijk) , herberg.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
herberg , herbarge , harbarge, harrebarge , (vrouwelijk) , herberg.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
herberg , harbarg , harbarge , herberg. Spreekwoord: Mörgenraizigers zuiken gijn harbarg. Vgl. ar.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
herberg , haarbaargĕ , herberg.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
herberg , herberg , ‘De nieuwe herberg, daar Het Glaasje uithangt‘. Op iemand met een droppel aan zijn neus.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
herberg , haibaige , vrouwelijk , herberg, café
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
herberg , hoarboarge , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , herberg. Iej munn van ne hoarboarge gin skoapnskot maakng, een herberg is er om even wat te drinken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
herberg , herreberg , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze ze is net ’n herreberg, d’r zit altoid volk in, plat-schertsend gezegd van een vrouw die ieder jaar weer in verwachting is. – Opsteke in de groene herreberg. 1. Onderweg in de berm uitrusten en eventueel wat eten of drinken. 2. Onderweg rusten en het paard in de berm laten grazen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
herberg , herbėrch , vrouwelijk , herbėrge, , herbėrchske , herberg.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
herberg , harbarg , herberg, harbarge, haarbaarg, harbaarg, haarbarg , harbargn , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook herberg (Zuidoost-Drents veengebied), harbarge (Zuidwest-Drenthe, zuid), haarbaarg (Zuidwest-Drenthe, noord, Kop van Drenthe), harbaarg (Zuidwest-Drenthe, noord, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), haarbarg (Veenkoloniën) = herberg, kroeg Tegen elf uur gungen wij hen de harbaarg en wij kochden oous een borrel (Eex), Wij gungen eerder van het paosvuur naor de harbarg (Oos), Wat een deurdreier van een vent, hij brengt alles naor de harbarge (Hgv) *Ie kunt van een harbarg gien boerenschure maken er moet wat verteerd worden (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
herberg , herberg , café.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
herberg , ärrebärge , ärrebärg , (Kampen) herberg. Ook: ärrebärg (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
herberg , hârbârge , herberg.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
herberg , harbarge , harbaarge, haarbarge , zelfstandig naamwoord , en var. de; herberg, café, logement
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
herberg , harrebarg , herreberreg , zelfstandig naamwoord , harrebarge , harrebarchie , [sGr] herberg, café, kroeg Hij zit elken zondag in de harrebarg
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
herberg , hèrbèrg , café
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
herberg , arrebarg , herberg. ook “stammenee”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
herberg , ärbärg , (zelfstandig naamwoord) , herberg.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal