elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: houder

houder , houwer , bij vogelaars: lage, lange traliekooi voor vogels van allerlei slag, van boven met het been van een kous gesloten.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
houder , houwers , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze van houwers komme spouwers, te spaarzame ouders kweken dikwijls spilzieke kinderen. Houwers = zij die het geld of bezit bijeen willen houden, spouwers = zij die het uitspuwen of zij die het versnipperen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
houder , holderd , hulderd , het , Ook hulderd (Midden-Drenthe) = 1. einde van de werkdag, vrijaf na het werk Dat stukkie wiw der nog even ofmaken dan is het holderd (Bor), As wij een beetie anwaarkt hew vro holderd (Eex), Wie maokt eerst man holderd (Ros), Bai sommige boeren is het nooit holderd (Pei), Het was daor holderd in de keet daar was een fikse ruzie (Sle) 2. 4 leg bij het dorsen (Kop van Drenthe) Anderhaalf holderd dörschen een (h)olderd was 4 leg (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
houder , holder , houder.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
houder , hoolder , zelfstandig naamwoord , de; 1. iemand die bezit 2. iets waarmee men iets vasthoudt, vastklemt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
houder , hawer , zelfstandig naamwoord mannelijk , hawers , - , houder , VB: Ién d'n hawer zaote nog veer petroene.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
houder , haojer , zelfstandig naamwoord, mannelijk , haojers , haojerke , houder
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
houder , haawer , zelfstandig naamwoord , houder; WBD kèttinghaawer, vasthaawer (II:1004) – kettinghouder; ook wel kèttingspanner genoemd
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal