elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: immers

immers , ummers , Immers.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
immers , ummer , ummers , immers, toch, trouwens.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
immers , ommers , immers. Ook in Breda gebruikelijk. Zie Hoeufft in v. [Aanvulling J. van Lennep: voor immers: - een en ander in hooge zoowel als in lage kringen.]
Bron: Bisschop, W. (1862), ‘Het Dordsche taaleigen. Bijdrage tot de kennis der Hollandsche dialekten’, in: De Taalgids 4, 27-48.
immers , ümmes , jümmes , Immers.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
immers , ommers , immers , (òmmərs) , (voegwoord) , Immers. || Ik heb ʼet ommers niet ʼedaan? Piet is ommers weer beter? – De vorm ommers wordt in vele dialecten gehoord, o.a. ook te Dordrecht en Breda (Taalgids 4, 40) en in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
immers , ommers , immers.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
immers , ümmes , jümmes , Immers.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
immers  , ummers , immers.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
immers , jums , bijwoord , immers
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
immers , ummers , ummes , immers, niet dan?
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
immers , ommers , immers. Dat heit er ommers niks mee te make.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
immers , ommers , bijwoord , Variant van immers.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
immers , ummers , of ni dá?
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
immers , immers , ommers, ummers , bijwoord , Ook ommers (Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe, Veenkoloniën), ummers (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe). Weinig gebr., meer: ja(o) = immers Dan is het immers oeze trouwdag (Hijk), Ik dee het er ummers niet umme (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
immers , ummers , immers.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
immers , ummes , immers
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
immers , ummers , immers.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
immers , ummers , immers , Héij hi ummers aalté wa, dé wies'te van te vurre, és ge die iet vraogt hit'tie wa. Hij heeft immers altijd wat, dat wist je van tevoren, als je die iets vraagt heeft hij iets.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
immers , ommes , bijwoord , immers, ook in ommes ja, ja ommes en j’ ommes
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
immers , ommers , bijwoord , immers Da’s ommers altijd al zôô geweest
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
immers , ummers , immers
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
immers , ommes , immers. in de uitdrukking “‘k em da ommes al gezêêd”, “ik heb dat immers al gezegd”.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
immers , ummes , (voegwoord) , bw., immers.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
immers , ommes , zeker , gij ben-tur toch ommes ginne van Pietwomme? = jij bent er toch zeker geen van oom Piet?- neije, ge kent toch ommes de viesboer wel, nou daor benk ’r jinne van = nee, je kent toch zeker de visboer wel, nou daar ben ik er een van-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
immers , ummers , immers
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
immers , ommes , ummers , bijwoord , immers (West-Brabant); ummers; immers (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
immers , ommers , bijwoord , "immers; R. J. Ze kwaamen ómmers nòr et kiendje kèèke; ""Dè zeg ik toch ommers, dettie goed zingt."" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938) ; Den arbeider is z'n loon waardig, zee St. Paulus ommers!"" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938); Cees Robben – Hij pruimt ommers (19570817); ...ge wit wèt spulgoed lot is./ Dét nao enen dag of aanderhalf/ ommers toch wir kepot is. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Spulgoed); ...want ollietroep èn trammelaant/ vènd ommers niemand fèèn. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin aaw èèzer); ik zuuk gin herrie ast nie moet/ Ommers : «et Akkedeert naa goed» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ellef-Ellef); — Zôo haole Jaon èn Jaantje saome/ aaw koeie ôt de slôot/ want de tèèd dèsse nòg kènder waare/ vergeete ze ommers nôot. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Rommelpot); Meljoene meense lije èèrmoei/ mar jè, dès wir en sort apart/ die zitte èrges in de rimboe/ èn ze zèn ommers tòch mar zwart... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vreede èn Sneuw); 't Gao ommers nie aaltij effe gemak... (Gieleke – wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) – ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980); ...ik geleuf dè alleman ont klòttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012); GD 06 die zèn ommers al lang ötgezonge; J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - OMMERS, voor 'immers'; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMMERS, OMMES, OÉMMERS, OEMMES bw - immers, Fr. pourtant, n'est-ce pas?; WNT - IMMERS, emmers, ommers; immers; immers; vaker zie ommers; Et mocht iemers niks kosten. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal