elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sjek

sjek , sjek , sjekkie , vrouwen-(nacht)jakje. Zon sjekkie, zoo as die vrouwe anhebbe. - Een kort sekkie, bij De Vries, West-friesche W. 29. Verg. in Wdb. VII, 1912: Casiacq, kezjak (?)
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
sjek , sekje , sekkie , zelfstandig naamwoord ’t , Ouderwetse, korte nachtjapon.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sjek , sjek , tussenwerpsel , (Zuidwest-Drenthe, zuid, N:Zuidwest-Drenthe) = terug, uitroep om kalf of koe te keren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sjek , sjek , zelfstandig naamwoord , sjekke , sjekkie , 1. nachtjak voor vrouwen in de 19e eeuw Ze trok t’r sjekkie an en dook de koes in Ze trok haar nachtjak aan en dook het bed in 2. [O] boezeroen, kiel Azzie zôô in ’t meel werrekt mojje wel een wit sjekkie añhebbe Als je zodanig in het meel werkt moet je wel een witte boezeroen aan hebben
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal