elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kegel

kegel , kégel , (mannelijk) , kégels , kegel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kegel , kégels , Beenen. Ik valle van honger haost van de kégels.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kegel , kegel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – In verfmolens. Een der spaken van een kegelspil: zie aldaar.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kegel , kegel , kiezelsteen(tje); kegels, kegelsteenen, grint. Den weg opkegelen, begrinten.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
kegel , kégels , Beenen. Ik valle van honger haost van de kégels.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kegel  , kaegel , kegel. Hae löp wie einen kaegel, Hij loopt vast en stevig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kegel , kiiegel , [kīegǝl] , kegel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kegel , kaekel , kaakel , mannelijk , kaekele , kaekelke , ijskegel.; kaakel ijskegel; keigel kegel
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kegel , kegels , zelfstandig naamwoord , kiezels, grind om het huis (KRS: Wijk, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols) Hetzelfde als *kaeie en *biggels . Zie hoofdstuk 4, punt 5: gereedschap .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kegel , kegel , de , kegels , 1. kegel Het is een kunst um met kegeln aal kegels in eein maol um te gooien (Eex), An disse denneboom zit altied grote kegels (Ruw) 2. knobbelvormige aanwas op tanden van het paard (Midden-Drenthe), zie ook haak
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kegel , kegel , kegel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kegel , kegel , zelfstandig naamwoord , de; 1. kegelvormig voorwerp, lichaam 2. kegel bij het kegelspel 3. afsluitende tweede, kegelvormige zuiger in een koperen pomp 4. in een kegel hebben dronken zijn, een dranklucht verspreiden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kegel , kèigel , zelfstandig naamwoord mannelijk , kèigele , kèigelke , kegel , VB: Sjpiétig, èine kèigel ês nog bliéve sjtoën.; valle wie 'nne kèigel omvallen (plotseling omvallen); valle wie 'nne kèigel; zoe zäot wie 'nne kèigel stomdronken zoe zäot wie 'nne kèigel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kegel , kegel , been (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kegel , keêgel , bijwoord , dronken
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal