elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: korteling

korteling , korteling , (kòrtǝling) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een grove soort van zemelen. – Vgl. Ned. kort, onzijdig, gebuild meel, dat tussen de tweede soort van bloem en zemelen in staat (VAN DALE). Mnl. cortmeel (Mnl. Wdb. III, 1956).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
korteling , kortelingen , (steigerhout der metselaars): bulsterhouten.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
korteling , kùtling , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kùtlinge , kùtlingsken , paal tussen muur en steigerpaal
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
korteling , korteling , mannelijk , kortelinge , bulsing (draaghout voor steigerplanken)
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
korteling , korteling , dwárspoal ván en steiger.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
korteling , körteling , de , körtelings , (Zuid-Drenthe) = 1. klein formaat balk, die met één uiteinde in het muurgat rust, o.a. gebruikt bij de opbouw van een steiger Een körteling is een steekholt (Dwi), De kortelings worden uut het ieken hakholt ezaagd en lagen in of op de mure en op de anbiender (haoks der op dan) en op de kortelings worden de plaanken elegd (Hgv) 2. (mv.) ondereinden van hakhout (N:Zuidwest-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
korteling , kotteling , kotling , zelfstandig naamwoord , de; 1. elk der dwarsbalken van een steiger, waarop de planken liggen 2. (mv.) kleine, korte stukken grasland buiten de zeedijk bij Schoterziel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
korteling , körteling , zelfstandig naamwoord, mannelijk , körtelinge , dwarsbalk, hout, (rest)stuk
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal