elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kous

kous , kousie , (vrouwelijk) , kousies , list streek. Hij verschuilt zich achter kousies, dat was een kousie. Misschien van het duitsch kause, kausen machen, knevelen, bedriegen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
kous , kous , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkl. kousie. Zie de wdbb. – Zegsw. Ruk maar uit met je zijden kousen, ga weg, ik wil niets van je weten. Evenzo in de Beemster: Kros op met uwe zijden kousen (BOUMAN 77). – Bij vissers. Hij is kous, hij heeft niets gevangen, komt met een lege schuit terug. Vgl. Ned. met de kous op de kop terug komen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kous , kous , ‘Daar heb je haar óók met haar zijje kouse‘, daar komt zij, waarlijk, óók nog aan! ‘Dan motte zij der eige kouse maar rolle‘, dan moeten zij ook zelf maar weten wat ze doen (als ze naar geen goeden raad hooren willen).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
kous , kouse , Kous. Tot ’n trage zegt men: Loop toch wat an, î loopt net òj tw(i)ee b(i)eenen in (i)eene kouse (h)eb.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kous , kouse , vrouwelijk , kousen , köusien , kous. zie ook: huaaze [ŭâzǝ]
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kous , koûs , m , koûse , kùwske , kous, kousen, kousje; kùwske kousje. Vroeger kridde licht mit ’t gaskùwske Vroeger kreeg men licht met een gaskousje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kous , kous , 1. kous. 2. ovaal stukje metaal waaromheen touw wordt gesplit
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kous , kous , zelfstandig naamwoord de , Zaak, kwestie. Uit Frans cause, in de zegswijze die kous is of, die zaak is afgehandeld. – Deermee is de kous of, daarmee is de zaak afgehandeld, we praten er niet meer over.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kous , kouse , zelfstandig naamwoord meervoud , Kousen, in de zegswijze die is mit kouse en skoene an kommen, gezegd van een pleegkind dat op latere leeftijd in het gezin is opgenomen. – Ruk maar in mit je zaaien kouse (sokke), hoepel maar op, wees maar niet zo veeleisend. Verkleinvorm kousie, in de zegswijze kousie hange, oud sinterklaas-gebruik waarbij een kous werd opgehangen in de hoop dat de Sint er zijn surprises in deponeerde. – Kousie lègge, zie de vorige zegswijze
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kous , kous , kouse , de , kousen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook kouse (Zuidwest-Drenthe, veengeb. Oost-Drenthe) = 1. (jonger woord voor) kous Die is mit de kouse over de kop in huus ekomen is buitenechtelijk zwanger geraakt (Die), Ik laot mij niet in de kouse miegen bedriegen (Hgv), zie ook hoos 2. (vaak verkl.) katoenen pit in (petroleum)lamp De kous van het spirituslichie laag onder in (Zey), Ik zal der een nei kousien in doen en kieken of het liekbraandt (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kous , kouse , kous
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kous , kouse , kous.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kous , kouse , zelfstandig naamwoord , de; kledingstuk: kous; kousien, et 1. kleine kouse 2. kousje in gaslamp, katoenen kousje in petroleumlamp, petroleumstel e.d.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kous , kouse , (zelfstandig naamwoord) , kous.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kous , kèws , kous
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
kous , kousen , in hem binnen de kousen lang nog niet kepot, hij heeft geld genoeg (W.-Veluwe); op (de) kousen, op kousenvoeten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kous , koûs , kous , zelfstandig naamwoord , kouse , kuiske , kous; det hiët niks oppe koûs – dat heeft niets te betekenen ook hoeës
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
kous , kous , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kouse , kouske , kous
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kous , kous , werk ’s door, ’n uur is geen kous, want die rek nie! bepaalde uitdrukking, te vergelijken met: ‘ik heb geen uren de tijd’
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
kous , kous , zelfstandig naamwoord , kous; Hij [de pastoor op de preekstoel] hô 't over bloote nekken, vleeschkleurige kouskes, te duur kleer, polka haor enz., afijn, hij wô eigenlijk zeggen dè 't er vul te veul geneuk in de wereld is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  trèk mar óp meej oew zije kouse (Daamen - Handschrift 1916) - wees maar niet zo veeleisend (zijden kousen werden door deftige mensen gedragen); Frans Verbunt: kouse zo dun as jèùnschèlle; H. van Rijen (1988): 'kaws'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal