elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kroel

kroel , [nest van varkens] , krûle , (vrouwelijk) , nest, waarin het varken jongen werpt. (Doetinchem.)
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kroel , kroel , (bijwoord) , Dicht op elkaar, gezellig. Vgl. kroelen. || Wat zitten we hier kroel bij mekaar. – Ook van iemand die diep in de kraag van jas of mantel gedoken is, zegt men: je zitte er kroel in.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kroel , kroel , bocht, kromming, omweg. Een nieuwe kroel (spiraalveer) aan de huisbel. Wat maakt die weg daar een kroel! Met een kroel-om = omweg, omtoer: Van het Academie rije de koninginne mit een groote kroel (kroel-om) na ’et Stadhuis (geh. Juni 1892). ’Kroel om, een boschje of een blok huizen om, Winkler, Dial. I, 358; Achter den Dom, Het kroeltje om, Driem. Bl. 6, 47. Verg. Kroelen, Woordenb. VIII, 303.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
kroel , kroel , zelfstandig naamwoord , kroele , kroeltie , 1. stoof Ik zel ‘m is een werreme kroel geeve Ik zal ‘m eens een warme stoof geven 2. knuffel, doek of pop van een kind Ze ging nie slaepe zonder d’r kroel Ze ging niet slapen zonder haar knuffel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal