elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: laat

laat , laat , hoevenaar, cijnsplichtige. Het wordt hier voor huurder of pachter eener boerderij gebezigd.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
laat , lat , laat, nalaat, van: laten, tegengestelde van doen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
laat , late , (bijwoord) , laat.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
laat , laat , Hoe laat is het? Antw. Dik voor dunschijt; als je hard loopt kun je nog mee flodderen! Verg. (elders gehoord): Kwart over de rand van de pispot; als je je hand er in steekt, loopt-ie over.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
laat , lääte , lääter, läätst , laat
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
laat , laate , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , laatr, lest , laat. Dat’r dan laatr lop, het nageslacht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
laat , laat , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , in de zegswijze is ’t weer zô laat!, gezegd als er iets onaangenaams is gebeurd, als iemand iets verkeerds of doms heeft gedaan. – Hoe laat leve we?, hoe laat is het? – Beter laat as nooit, men kan nu eenmaal beter te laat komen dan helemaal niet komen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
laat , laat , laater, laatste , laat. “Wie laater oppẹn aovent, wie sjoonder de luu” wordt gezegd, als nog laat gasten komen. “Ės dat zoo wieër geit, wurt ’t ’ne laate” wordt gezegd, als het werk niet opschiet, of: als men gezellig bij elkaar zit te borrelen. Zie ook: l
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
laat , läöt , in zaadbakje van vogelkooi overblijvende zaadhuisjes (gekeeverde zaot = gepeld zaad).
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
laat , laete , laat; * a’j te laete in huus komt dan bromt ze; a’j te laete in de kerke komt dan zingt ze: er is altijd wat; laete ha(e)ver kump ok op: wie zich niet haast komt er ook wel; hoe laete is ’t naor tied?: hoe laat is het?
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
laat , laat , laot, laete, late , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook laot (Noord-Drenthe), laete (Zuidwest-Drenthe, noord), late (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = laat Het was al late, wij waren al haoste op bedde (Hol), Ik bin later op estaone (Kerk), Ie weet nou zeker wel hoe laete as het is waar het op staat (Dwi), Zo is het weer zo late is het weer zover (Bov) *Beter laot dan nooit (Row), ...zee de boer toen zien zeune van zestig jaor gunk trouwen (Mep); Net zo laete as gistern um dizze tied antwoord op vraag naar de juiste tijd (Dwi), zie ook lèest en bij kwart
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
laat , laot , laat.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
laat , late , laat
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
laat , laete , laat.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
laat , lôtter , later , Kèk nouw toch wie we daor hébbe, hoe lôtter óp d'n aovend hoe schónder volk, dé's lang geleeje. Kijk nu toch wie we daar hebben, hoe later op de avond hoe mooier volk, dat is lang geleden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
laat , let , in let om let op het kantje af,verder in lang om let tenslotte, uiteindelijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
laat , laete , bijwoord , laat, niet vroeg, na verloop van enige tijd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
laat , laet , uitdrukking , Die is te laet geboore Dat hadden we eerder moeten weten; Hoe laet gaot ‘t an? Hoe laat begint het?
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
laat , läot , bijvoeglijk naamwoord , laat , VB: Hil läot op d'n aovend kaom 'r nog aonzitte.; laat (beter laat dan nooit) bëter läot es neet
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
laat , loat , loot , laat (tijd)
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
laat , lô mor , lô mar , laat maar
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
laat , laot , laat.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
laat , lotter , later.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
laat , late , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , laat.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
laat , laât , látter, látst, ook: lest, , laat , Laât is nie vruug. Laat is niet vroeg., Tjeu kwamp látter én Bén wâr de látste. Tjeu kwam later en Ben was de laatste., ’t léste woord wulle hébbe. Het laatste woord willen hebben., De lètste eer bewijze. De laatste eer bewijzen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
laat , laat , later, laatst , laat , Det weurtj weer eine late.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
laat , laot , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , laoter , laat; Cees Robben – Heel laot op den aovend... (19540925); Dialectenquête 1876 - 's oaves loat; DANB hij kómt nôot en menuut te laot; Frans Verbunt:  laote haover komt ok op; Dirk Boutkan:  lòtst, lèst en list: superlatieven van 'laot'; A.P. de Bont – bijvoeglijk naamwoord  en bijwoord  - laat
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal