elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: lastpak

lastpak , lāspāk , lastig persoon. Och lāspāk, schei uit! Jullie zijne lāspākke! (kindermeisje tot kinderen).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
lastpak , lastpak , zelfstandig naamwoord , de; lastpost
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal