elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: leis

leis , leiste , leisten , leidsels, stuurriemen of stuurkoorden aan een paarde-toom. Zie Wdb. VIII, 1499, op Leis (I). Als kinderen spraken we ook wel van ‘de leisteposten‘ voor de leidsels. Waarom?
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
leis , loiste , zelfstandig naamwoord meervoud , Dialectische variant van leidsels.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
leis , leis , kerstlied.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal