elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: manshoofd

manshoofd , manshoofd , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Man, echtgenoot. Weinig gebruikelijk. || Heb-je me manshoofd ook ’ezien? – Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids I, 284); in de 17de e. ook bij VONDEL e.a. (zie OUDEMANS 4, 275). Vroeger ook manhoofd. || Zijt lief u Man-hooft aengenaem, in ’t goede altijdt gehoorsaem: Bemint dijn Wijf, gelijck u eygen lijf, SOETEBOOM, Lust-hofje 161. Deze vorm vindt men ook in het Mnl. – Vgl. wijfhoofd.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
manshoofd , manshoofd , man (echtgenoot). Mijn manshoofd, Gew. Weuw, 1, 13. Nu nog zoo. Zie Wdb. op het woord.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal