elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: mengel

mengel , mengel , eene maat voor bier, nagenoeg = een half liter. Oostfriesch, Westfaalsch mengel, eene maat voor vloeistoffen. – ’t Woord moet hier thans als verouderd gerekend worden, ofschoon nog in gebruik is: mengelsglas, een cilindervormig glas, voor bier, melk en water. Ook deze naam, zoowel als het voorwerp, zal welhaast voor: bierglas, hebben plaats gemaakt. (v. Dale: mengel, eene oud-Nederlandsche vochtmaat; als wijn-, bier-, oliemaat = 1.21 liter; als brandewijnmaat = 1.23 liter; als melkmaat = 1.81 liter.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
mengel , mengel , Vochtmaat voor melk. [Aanvulling van Beets]
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
mengel , mengelen , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Daarnaast soms mingelen. Mengel; zekere maat voor natte waren, gelijkstaande met 2 kan of liter, te Krommenie met 4 kan. Tegenwoordig worden alleen nog karnemelk en room bij het mengelen verkocht; tot voor weinige jaren ook zoete melk en olie, en eertijds wijn, bier, enz. || Twee mengelen karnemelk. Geef me aârf mingelen. De Melkboeren rekenen 16 Mengelen op een vat of ton, Advers. Oostwoud, f° 284. Die ’t niet en geraadt, (sal) een mengelen Room verbeuren, SOETEBOOM, S. Arc. 262. Oosmeers (Coolsaat), dat slo(e)gh 23 mengele oly, Journ. Caeskoper, 5 Juli 1671. Een mengele Rhijnsche wijn, Hs. (18de e.), verz. Honig. – Zegsw. (van iemand met een broek, die hem veel te wijd is) ’t Is een mengelen broek en een pentje (pintje) billen. – Mengelen, mingelen, is ook elders in Holl. gebruikelijk; reeds in de latere Middeleeuwen. Evenzo Fri. minglen, mînglen, Mnd., Ndd. mengelen. Zie de wdbb.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
mengel , mengel* , ook bij v. Dale, als oude maat, en wel: voor wijn, bier, olie = 1.21 liter; voor brandewijn = 1.23 liter; voor melk = 1.81 liter.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
mengel , mingele , (Wdb. IX, 521, Mengelen), anderhalf pintje, of drie kan (liter).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
mengel , mengel , Een vochtmaat voor melk.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
mengel , mengel , vochtmaat van twee oort
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
mengel , mengel , mengele, mingel, mingele , zelfstandig naamwoord ’t , Oude inhoudsmaat voor natte waren, veelal 2½ of 3½ liter. Zegswijze ’t is ’n mengel(e) broek en ’n pintje bille, gezegd van een tenger persoontje die een veel te wijde broek draagt. Een pintje = ½ mengel(e). Een variant luidt: drie mengele broek en ’n pintje bille.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
mengel , mengel , de , mengels , 1. inhoudsmaat voor 1 liter (Zuidwest-Drenthe, veroud.) Wij kregen de schippers wel bij ons um een mengel melk te halen (Hgv), Een mengel melk is twei oord (Hol) 2. jachthond, kruising van een hazewindhond met een andere hond (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Een mengel kan beter een haze vangen as een gewone windhond (Bco) 3. mangel (Midden-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
mengel , mengel , (Gunninks woordenlijst van 1908) naam van een maat, in: Gunninks woordenlijst van 1908: Die koe gef een mengel meer as ’n òsse ‘die koe geeft weinig melk’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
mengel , mingel , mengel , zelfstandig naamwoord , de 1. mengel, inhoudsmaat van een liter 2. vat, busje waarmee men een liter inhoud afmeet
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal