elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nap

nap , nap , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Vroeger ook als maat voor melk. Een mengelen melk was 4 nappen of pintjes. – Vgl. de samenst. kramdenap, staartnap, woosnap.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nap , [hoofddeksel, tafellaken] , nappie , mutsje, kalotje, rond hoofddeksel zonder klep. - Kèkke die stedente der ʼes lollig uitzien mittie nāppies opter koppe!
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
nap , näppie , napje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nap , nap , nappe, nabbe , de , nappen , Vaak verkl., ook nappe (Zuidwest-Drenthe), nabbe (Veenkoloniën) = 1. kom, meestal van hout, met of zonder handgreep Vrouger hadden ze een nap in het undermelktien. Ze wadden van holt of iezer (Eev), Vrogger drunken wij uut een nap bij de pompe op het schoelplein. Dat was een halve baste van een kokosneute (Noo), ...dat waas een iezern nap, die met een kettie an de pomp hung (Rod) 2. zilveren brandewijnskom (Zuidoost-Drents zandgebied) Een zulvern brandewienskom wuur ok wal nap nuumd (Sti) 3. gereedschap bij het bereiden van boter Een nap nuimden ze ok de pot, woor ze botter in deuden. Der kun precies een pond ien mit mooie figuren der op (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nap , nappe , nap
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nap , nâppien , napje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nap , nappe , zelfstandig naamwoord , de; houten kom, halve kokosnootdop, diepe kom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nap , nap , zelfstandig naamwoord , in nap speulen nl. bij nappen alle vijf slagen hebben, verder in Ik doe nap ik speel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nap , nappe , (zelfstandig naamwoord) , näppien , nap, kroes van email.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal