elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: narooier

narooier , naroojer , collectant voor de Kerk; collectant ‘met het kerkzakje’, die nà de collecte voor de diakonie - het ‘armenzakje’ -, komt. ‘Een dubbeltje voor de diakonie, en een cent voor de naroojers‘ (Is. van Rennes). Verg. Van Schothorst, 175.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
narooier , narooier , 1. iemand die achtergelaten aardappelen van het veld haalt; 2. collectant in de kerk.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal