elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: natuurlijk

natuurlijk , natuurlijk , (bijvoeglijk naamwoord) , vgl. het natuurlijke leven op leven. – Vgl. pieternatuurlijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
natuurlijk , natuurlijk , in de uitdr. Dat sprik natuurlijk! dat spreekt van zelf!
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
natuurlijk , netuurlijk , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze netuurlijk is nakend, reactie aan het adres van iemand die te pas en te onpas ‘natuurlijk’ zegt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
natuurlijk , nattuurlik , nattuurlikker, nattuurlikste , natuurlijk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
natuurlijk , natuurlijk , netuurlijk, naotuurlijk, tuurlijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook netuurlijk, naotuurlijk (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) en verkort tuurlijk = natuurlijk Die kwam hiel natuurlijk over, niks gien poespas (Geb), Hij is een natuurlijke dood storven (Bov), Dat is een natuurlijk stroompie (Flu), (...) snötverkolden, mor der is niks tegen te doen, dat mot zien natuurlijk verloop hebben (Hijk), Wat een pracht schilderij, zo natuurlijk meugelijk (Exl), Hij was natuurlijk weer tegen (Sle), Natuurlijk nim wij nog een kop koffie (Hoh), Bi’j het met hum eeins? Tuurlijk (Eex), Het is hiel natuurlijk daj wat dikker wordt, aj older wordt (Bro) *Natuurlijk is nakend en nakend is zunder hemd (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
natuurlijk , netuurlijk , natuurlijk.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
natuurlijk , netuurlek , natuurlijk , Netuurlek duu'wek dé nie, dé wit'te toch wél bèèter, ge kènt me ónderhand toch wél. Natuurlijk doe ik dat niet, dat weet je toch wel beter, je kent me intussen toch wel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
natuurlijk , tuurlik , bijwoord , tuurlijk
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
natuurlijk , netuurlik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. niet-kunstmatig, ongerept 2. zoals de natuur het voortbrengt, in overeenstemming met de natuur 3. in overeenstemming met de werkelijkheid, net zoals het is 4. natuurlijk, vanzelfsprekend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
natuurlijk , netuurlek , natuurlijk
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
natuurlijk , netuurlijk , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , natuurlijk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
natuurlijk , neteurlik , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , natuurlijk
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
natuurlijk , netuurlek , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , natuurlijk; Kees en Bart: 'netuurlijk'; Cees Robben: netuurlek wir ieveraand nirgeleej; Cees Robben: die hèdde netuurlek wir ieveraans verloore geleej; WBD III.1.4:57 'natuurlijk' = idem; ook 'tuurlijk'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
natuurlijk , neteurlik , netuurlik , natuurlijk; uiteraard
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal