elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: nek

nek , nek , hals.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
nek , nak , nakke, nek , nek, ook wel Gron. Limb. Ook = schouder.“elk met ’n piepenkörf vol gereedschap op de nak.”
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
nek , nokke , (mannelijk) , nek.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
nek , nak, nek , nekken , nek; ook Zuid-Limburgsch; nekken (Ommelanden), Hoogduitsch Nacken. Zie: niknak.
nek, in: iemand in de nek schuppen (Oldampt) = iemand ien nek schōppen (Ommelanden), Nederlandsch in den nek zien = bedotten, bedriegen, afzetten; op nek geven (Ommelanden) = op fel = op pōkkel geven = een pak slaag geven, ’n wild hoar in de nek (of: ien nek) hebben, bij v. Dale: een wild haar in den neus, ook: in het oor hebben. Zie: dak, en: dubbeld. (Vgl. ’t West-Vlaamsch: iemand in den nekke schuppen = met iemand spotten, onder den schijn van hem te vleien of te prijzen. (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
nek , nek , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast nak, nakke; zie aldaar. Vgl. nekbeen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nek , nak , nakke , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Bijvorm van nek, zie aldaar. Alleen in de uitdr. <i>ietsi> <i>opi> <i>zijni> <i>nakkei> nemen, het op de nek nemen. || Die man is verbazend stark, hij neemt 200 kilo op zijn nakke en sjouwt die as ’en peuleschilletje na boven. – De vorm nakke, nak, is ook in Oost-Friesl. gebruikelijk. (KOOLMAN 2, 637) en komt ook in het Mnl. en elders voor; zie FRANCK op nek en KLUGE op nacken. – Vgl. hardenak.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
nek , nekkie , Nekkie-balsem, persoon met een scheeven hals; mij bekend, uit omstreeks 1865, als naam voor een bepaalde vrouw (fruitvrouw).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
nek , näkke , vrouwelijk , nek
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
nek , nàkke , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , nàkke , nàksken , nek. Eenn in n nàkke springen, iem. aanklampen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
nek , nakke , nek
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
nek , nak , nék , mannelijk , nėk/nékke , nėkske , nek. Hae haet ’m in de nak gehoue, gekeeke of gesjeete: hij heeft hem bedrogen. Braek mich de nak, dan vol ich dich de zak: betekent, dat haver gesleept moet worden om later een goede opbrengst op te leveren. Tösje hals en nak houe: i
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
nek , nekke , nek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
nek , nak , de , nakken , (Pes) = houten of stenen borrel‘glaasje’, z. ook nipnakken
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nek , nak , nakke, nekke, nek , de , nakken , (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook nakke (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), nekke (Zuidwest-Drenthe, veengeb. Oost-Drenthe), nek (Ass, Coe) = 1. nek, lichaamsdeel Wat bisse smerig in de nak, wascher dij toch ies (Pdh), Ik kin mien kop neit draaien, ik heb een stieve nekke (Erf), De kiepe de nekke umdrèeien (Dwi), Hie is op dubbele nak van de fiets vallen met het hoofd omlaag (Gas), Hie sluug de borrel zo in de nak achterover (Sle), Hij zat der tot de nak tou in diep in de schulden (Anl), Hij hef een nakke as een bolle (Bco), Je moet je stilholden, je lult oet de nak je kletst (Eke), Ik brak mij daor de nak over de rommel (Sle), Hij hef hum het touw um de nakke edaone hij heeft zich verhangen (Flu), Hij lop of e een slag met een paol in de nak had hef (Ndo), Ien wat op de nak doen (Bor), ...knuppen (Bco), ...drèeien (Dro), ...spelden wat wijsmaken (Pdh), Ze wolden het mij op de nak schoeven (Rol), ...drukken er mee opzadelen, in de schoenen schuiven (Bui), Steek je nak der niet in bemoei je er niet mee (Dal), Ik krege alles mor op mien nakke werd overal van beschuldigd (Die), Hie löp met de kop in de nak met de neus in de wind (Sle), Dat kun je de nek nog wel ies breken de nekslag geven (Klv), Ie kunt niet alles op de nekke nemen alles op je nemen (Hol), Hij hef de nak aordig oetsteuken veel gewaagd (Odo), Ze zit hum altied op de nekke ze jagen hem op (Wsv), Hij giet over zien nak braakt (Gro), Hij zal zien stieve nakke nog wel een keer bugen mutten moeten toegeven (Ruw), Die hef de ogen niet in de nak zitten hij ziet alles (Scho), Dat kan mij de nak niet breken deren (Exl), Het heufd in de nekke gooien (Mep), Hij het een wilde haor in de nek zit vol streken (Row), Ze gungen nek an nek over de streep (Bui), Hai krig huil wat op de nekke veel te verwerken of te dragen (Eco), Dan mut ie maor ies een keer de nek uutsteken duidelijk voor je mening uitkomen (Geb), Hij kik oe mit de nekke an kijkt je minachtend aan (Noo), Dat kost hum de nekke (Wsv) 2. ‘nek’ van gereedschap Mit de nekke van de biele een spieker in het holt slaon (Dwi), Slao de spieker tot de nekke toe der in (Dwi) 3. hals Hij hef zich een zeeikte op de nak haold (Gie), Daormet hef e zuk wat op de nak haald op de hals gehaald (Sti), Iene naor de nek vliegen strot (Nam) 4. schouder Aw daor mit mekaar de nakke ies onder zet, zal het wel veur mekaar komen (Koe), Hij drag het geweer an de nakke (Flu), Hij fietste daor net nog met de ledder op de nak (Hoh) 5. nekplooien van een muts (Stu) De nekke van de musse *De man is het hoofd van het gezin, mor de vrouw is de nak, waor alles um dreit (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
nek , nekke , nek. Nekkien staon ‘bij ‘haasje over’ rechtop staan met gebogen hoofd’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
nek , nekke , nek.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
nek , nekke , zelfstandig naamwoord , de 1. nek 2. achterste stuk van de muts bij bep. klederdracht, ook: het deel van de nekriem dat de nek bedekt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
nek , nek , zelfstandig naamwoord , nekke , nekkie , hals Ze had een mooie ketting om d’r nek; Hij keek ze met z’n nek nied an Hij wilde niets met hen te maken hebben
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
nek , nak , zelfstandig naamwoord mannelijk , nek , nekske , nek , VB: Hebs te d'nne nak oüch good gewase? Zw: 'nne Ién z'nne nak hoûwe: afzetten, bedriegen Zw: Dalik hoûw ich dich ién d'nne nak: dadelijk krijg je een draai om je oren.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
nek , nekke , (zelfstandig naamwoord) , nek. Uitdr.: IJ pröt uut de nekke ‘hij kletst maar wat’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
nek , nèk , nek
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
nek , nak , (mannelijk) , nek , nekske , nek , ’t Aete neet door de nak kriege. ‘Doe bès eine sjoeane zeiverzak, doe houwts mich weer get oet dae nak’: fragment uit een Thorns carnavalsliedje. Einen dikke nak: een arrogant iemand. Emes mètte nak aankieke. In det hoes briks se de nak uuever de rotzooi. Zich get oppe nak hoeale.: een arrogant iemand. Emes mètte nak aankieke. In det hoes briks se de nak uuever de rotzooi. Zich get oppe nak hoeale.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
nek , nak , zelfstandig naamwoord , nek , nekske , nek; mèt de kop inne nak laupe – een verwaande houding aannemen (Duits: Nacke)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
nek , nèk , zelfstandig naamwoord , nèkske , nek; Cees Robben – In oew bekske... dur oew nekske (19601007); Mandos, Brabantse Spreekwoorden: zooas de nèk draajt, draajt de kòp (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - de man schikt zich gewillig (de vrouw heeft de broek aan); WBD III.1.1:111 'nek' = hals
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal