elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: of

of , òf , (voegwoord) , of.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
of , of , voor: al, indien; ’t ken mie nijt schelen of is’t ook zoo, eigenlijk: – of het zoo is; ’t verveelde mie nijt of har’t ook nog’n uur duurd.
voor: misschien, waarvoor ook: as; hij’s dood, of je’t wijten; ’t is ’n vrundêlk man, of j’m kennen, zooveel als: – wellicht zult gij het weten, zult gij hem kennen.
wordt als grammaticaal verb. voegwoord dikwijls overtollig gebruikt: ‘k wijt nijt woar of hij bleven is; hei ook zijn wat peerd of ’t hardste kon? wijt je ook wenneer of hij komt? wijt je ook hou of dat komt? wijt je ook wat of hij zee? wijt je ook hou of hij dee?
ofst, ofste, of gij; zij ijs ofste dat lezen kenst = beproef eens of gij dat lezen kunt; ofst ’t leuven wilt of nijt = of gij het gelooven wilt of niet. Staat voor: of, en: doe, met tusschengevoegde s. Vgl. kenst, wilst, wijst, mōst, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
of , òf , (voegwoord) , voegwoord. Jan òf Piet.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
of , of , (onderschikkend voegwoord) , Zie Ned. Wdb. X, 67 vlgg. Soms zegt men ovve, doch naar het schijnt alleen vóór het toonloze we, ze en der. Vgl. het gebruik van azze op als. || Ik weet niet waar ovve we heen gane. ’t Is ovve ze gek benne. Vraag ovve ze nog wet nodig hewwe. ’t Is ovve der gaten in benne. We moete gien zier thuis brenge; went den zou het net weze, ovve we zoo veul ’ehad hadde, datte we het niet op konne, Sch. t. W. 279.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
of , of* , (ook as*) voor: misschien, bvb. hij ’s dood, of (as) je ’t wijten, ’t is ’n vrundelk man, of (as) j’ m kennen, eigenl.: ik weet niet of je ’t weet, hem kent, enz. (bij v. Dale iets dergelijks onder “of” 2 en 3); in de beteekenis van “indien” vooral Stad-Groningsch: of kom ’k mörn, hou loat zel ’k den komen? = als ik morgen kom, enz.; vergelijk as * (bldz. 498) ook de aanteekening.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
of , ovve , grammat. verbind. voegw. Mevrouw laat vrage, ovve de kindere meegane. Ovve we dat nou begrijpe, of niet, dat is zoo.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
of , òf , (voegwoord, bijwoord) , Een jongen die zijn pink had verloren heette Pinkof. Jan òf Piet. Mîn wark is óf. Ook W.-Vl.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
of , of , voegwoord , of
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
of , of ,  ovve, offe , voegwoord , Of. Het wordt in het Westfries dikwijls ter verzwaring gebezigd, bv. weet jij wie of dat is, hoe of ie hiet, wat of ie doet enz. ovve, offe zijn verzwaarde vorm van of, met name voor de meervoudige onderwerpen ‘we’ en ‘ze’ en vóór ‘d’r’ gevolgd door een meervoudig onderwerp. | Hai vroeg ovve we, ze meeginge. Hai vroeg ovve d’r nag piepers over benne.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
of , of , voegwoord , of Der is aaid wel dit of dat te doen wel iets te doen (Eev), Ik weit nich of ik het wal wachten kan (Bco), Hej nog zakgeld of bi’j der deur? (Flu), Dat is toch zo, of niet soms (Emm), Of doe nou hard ropst of nich, het helpt die niks (Bov), Hij keek of e het in Keulen heurde dundern (Pdh), Wanneer oj kompt moej zölf weten (Oos), In vraagzinnen als de volgende kan of worden weggelaten, zonder dat de betekenis verandert Of bi’j der nou al weer (Scho), Of hej een gat in oe kouse? (Die), Of moej waskern vandaog? (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
of , òf , voegwoord , of
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
of , of , voegwoord , of
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
of , of , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. af 2. doodaf, zeer vermoeid 3. versleten 4. afgelopen 5. overal (in, op, langs)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
of , of , bijwoord , al Of kommie nog zôô vroeg de pont is toch al weg Al kom je nog zo vroeg de pont is toch al vertrokken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
of , ovve , voegwoord , meervoudsverbuiging van het voegwoord of Ik weet niet ovve ze blijve vannacht Ik weet niet of zij vannacht blijven
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
of , of , of.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
of , of , voegwoord , alsof, noch, of
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
of , òf , onderscheidend voegwoord , of; – Vaak gevolgd door 'dè'; de komplemènte van ons moeder èn òf dè...; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OFDAT, ook OCHDAT vgw. -of, Fr. si. Ik weet nie', ofdat ek wel den tijd zal hebben. - Alsof, Fr. comme, 't Is weer, ofdat de zee zou uitdroogen.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal