elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ogenblikkelijk

ogenblikkelijk , [voorlopig] , ogenblikkelijk , voor ʼt oogenblik; op dit moment. - Ik zouʼt u oogenblikkelijk niet kunnen zegge. ʼt Kan zijn dat hij ʼt oogenblikkelijk niet wist.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
ogenblikkelijk , ogenblikkelijk , bijwoord , direct Je moet ogenblikkelijk hierkommen (Eke), Goed uut en ogenblikkelijk hen bedde (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal