elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opdoffen

opdoffen , opdōffen , zie: dōf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
opdoffen , opdoffen , zonder bepaling (zie Wdb. bij Opdoffelen). - Ik zal je-n-es opdoffen, je eens opknappen (ironisch).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
opdoffen , opdoffe , opmaken. Ze ston d’r éêge op te opdoffe vör ’t fést. Ze stond zich opmaken. voor het feest.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
opdoffen , opdòffen , opdoeven , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook opdoeven (Zuidwest-Drenthe, noord) = opdoffen, mooi maken Ik moe mij nog een beetien opdoffen, veurdat ik vortgao (Sle), z. ook optutten, optoeten, opdoen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal