elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opdrogen

opdrogen , opdroge , In de zegsw. Ik zal ʼem wel opdroge! ik zal hem wel geven wat hem toekomt (aan straf, afstraffing), wel zorgen dat hij zijn portie krijgt; hem wel vinden. Als ik ʼem te pākke krijgt, dan zal ik ʼem wel opdroge!
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
opdrogen , opdreuge , dreuchde op, haet of is opgedreuch , opdrogen. Ėste ’ne börgemeister of ’ne nootaaris in de klompe pis, dat dreuch noots op: met hoge heren is het slecht kersen eten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
opdrogen , opdreugen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , opdrogen Het laand is al mooi opdreugd (Eev), Die plassen bint al gauw weer opdreugd (Gas)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opdrogen , opdreugen , opdrugen , werkwoord , droog, droger worden of doen worden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
opdrogen , [opdrogen ] , opdruuege , opdrogen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal