elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: opperman

opperman , üppelman , üpperman , Opperman.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
opperman , upperman , opperman. Mijn man is upperman, ʼt Zit er van de week niet an! (Rijmpje). – ‘As ze maar niet ongelukkig wordt mitter hoogerop! Voor mijn part krijgt ze-n-een upperman of‘ enz., V. en VI. 256. Verg. Rek. Buurk. 58 (en op veel andere plaatsen) upperknecht.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
opperman , üppelman , üpperman , Opperman.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
opperman , uppermån , mannelijk , upperlöie , opperman
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
opperman , uperman , m , opperman (manusje van alles in de bouw)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
opperman , ópperman , helper van de metselaar, die de specie maakt, stenen aandraagt enz.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
opperman , opperman , öpperman, upperman , de , Ook öpperman of upperman (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) = opperman Aj een goeie metselaar hebt, hef de opperman het niet makkelijk (Wap)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
opperman , uperman , opperman.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
opperman , upperman , opperman
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
opperman , upperman , opperman.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
opperman , uupperman , opperman
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
opperman , öpperman , upperman , (zelfstandig naamwoord) , opperman. Zie ook: upperman.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
opperman , uuperman , opperman
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
opperman , uuperman , zelfstandig naamwoord , opperman; degene die bouwmateriaal bij de vakman brengt. Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'upperman'; 'upperlui'; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - uuperman zelfstandig naamwoord  opperman; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - OPPERMAN (uuperman) m. - aandrager van stenen en ander materiaal. Voorbeeld van een gemakkelijk beroep, voorgehouden aan luie kinderen: uuperman bé de goudsmid. WNT OPPERMAN, upperman - werkman die materialen aandraagt voor den metselaar
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal