elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pied

pied , pie-éé , Pie-éé springe, haasje-over springen of spelen. (De jongen die als bok staat, gaat telkens, bij iedere nieuwe ronde der springers, de breedte van en voet (voetzool) vooruit. Riep men hem toe, om zijn voet (voeten) te verzetten: pied! (Fransch) en is dit de oorsprong van dezen naam voor ’t spel?).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
pied , pjee , zelfstandig naamwoord mannelijk , pjees , pjeeke , bloementafeltje , (hoog bloementafeltje) pjee VB: De blompot sjtoûng op e pjeeke.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal