elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pijpenrooier

pijpenrooier , pijperoder , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Hetz. als pijpekloker; zie aldaar. – Vgl. roden.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pijpenrooier , pijperoder , pijpewroeter. Verg. pijpenroeijer, Algem. Politieblad 1855, bl. 461. als gestolen te Kamerik.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
pijpenrooier , poiperôder , zelfstandig naamwoord de , Zie poipeloeter 1.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
pijpenrooier , pieperaoi , pieperooi , de , pieperaoien , (Kop van Drenthe). Ook pieperooi = pijpdoorsteker, bentespriet om een pijp schoon te maken Vrouger nammen de boeren ieder jaor een bossie pieperooien met van het Bunnerveen (Row), Pieperaoien moej gruin snieden (Zey)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal