elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: pint

pint , pint , in: gierîge pint = gierige kerel, enz. Het woord kan eene verkorting zijn van: pintheuker.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
pint , pent , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie pint.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pint , pint , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast soms pent. Verkl. pintje, pentje. Zekere maat voor natte waren. Een pintje melk is een half mengelen en staat gelijk met 1 kan of liter. Te Krommenie is een pintje 2 kan. – Als maat voor brandewijn en jenever houdt een pint minder dan een kan. – Vgl. een zegsw. op mengelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pint , pint , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Ook in de samenst. snoekpint, zeeltpint. Bij vissers. Zeker net voor het vangen van zeelt en snoek, zeeltfuik. Synon. rob, tuit. – De pint is een soort van fuik met hoepels, kelen en kubbe, aan een paar vleugels, en meestal van touw vervaardigd. Goedkope pinten zijn ook wel van tenen gevlochten. || Vier snoekpinten, Verkopings Catal. (a° 1884).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
pint , pintje , een halve kan (halve liter).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
pint , pénjt , pint , onzijdig , pénjer , pinjtje , pint: oude vochtmaat. Ẹ pénjt is veier veedelkes (zie daar), is 0,3643755 liter. Zie ook: pint.; pint zie pénjt.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pint , pint , vrouwelijk , pinte , (Frans) pintade, parelhoen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
pint , piñtjie , peentjie , zelfstandig naamwoord , piñtjies , halve liter Een piñtjie mellek Een halve liter melk; Een emmer broek en een piñtjie bille Broodmager; peentjie [O] pintje (melk)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
pint , peent , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , peente , peentsje , pint , (vero.) VB: 'n peent beer.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
pint , pint , zelfstandig naamwoord , "Van Delft - ""Iemand in de pint doen"" wordt wel gebruikt om uit te drukken, dat men hem bedotten wil, of dat men hem dronken wil maken. Het zou eigenlijk beduiden: Iets van hem in een pint (potje) doen om hem daardoor van pijn af te helpen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929); WBD III.4.4:298 'pint' = halve liter, ook 'schep'"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal