elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: polder

polder , polder , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Ook in verkl. poldertje. Zie de wdbb. en vgl. pol V. – 1) Ingepolderd, omdijkt laaggelegen land; gewoonlijk opgevat als collectief van al het land binnen bepaalde dijken, dat onder éénzelfde dijkbestuur staat. || De ingelanden van de polder Westzaan. De polder Krommenie. De polder het Woud. De Kalverpolder. De Oude polder (te Wormer). De Noorderpolder en Zuiderpolder (te Assendelft), enz. – Zegsw. Hij is in zijn polder, hij is in zijn schik. 2) Een geheel door water omgeven perceel weiland, gewoonlijk bestaande uit twee of meer stukken land, die aaneengedamd en omkaaid zijn en door een molentje worden drooggemalen. || Wordt verkocht een polder weiland, gelegen onder Zaandam. Ik heb er nag ’en poldertje leggen. De Polder (stuk land te W.-Zaandam), Custb. (a° 1741). De Martelaarspolder (op de Koog bij de molen “de Martelaar”). – Vgl. polderwater. 3) De kring van smalle slootjes om een papiermolen, waaruit het voor de papiermakerij benodigde water wordt gehaald. || Het poldertje is weer vol kroos, we moeten ’et nag ers uitkrozen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
polder , polder , streek gewest. - In die vremde polders, in die vreemde landen. Verl. Z. - v.d. Monde.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
polder , polder , zelfstandig naamwoord ’t/de , De polder.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
polder , polder , de , polders , polder Der zint veul boeren hen de polder gaon (Oos), Wij haelt de appels uut de polder (Dwi), Het is zo nat achter het hoes, het is net een polder (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
polder , pòlder , polder
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
polder , poolder , polder , zelfstandig naamwoord , de 1. polder 2. Noordoostpolder 3. poldervereniging
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
polder , polder , zelfstandig naamwoord , polders , poldertie , houten vlonder (meestal over een stenen vloer) De errepels legge in de kelder altijd op een polder
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
polder , polder , zelfstandig naamwoord , vliering boven schuur of kast (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
Polder , Polder , 1. inwoner van Pol 2. van Pol: de Polder waêg – de weg tussen Pol en Heel; Polder koekirmes – jaarlijkse kermis in Pol, die plaatsvond in mei, zo genoemd naar het gebruik alle koeien van Pol een week van tevoren in één wei, het Polder Breukske, onder te brengen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal