elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: rotzak

rotzak , rotzak , (Wdb. XII, 1476). Ook voor deugniet: Voor zooʼn rotzak maok i zooʼn stantsi, Verl. Z. - Gerhardt.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
rotzak , rôtzak , ellendeling, rotvent
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
rotzak , rotsak , mannelijk , rotsėk , rotsėkske , rotzak.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
rotzak , rötzak , de , rötzakken , ellendeling Dat peerd is een rotzak (Flu)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
rotzak , rotzak , zelfstandig naamwoord , de 1. rotvent, smeerlap 2. zelf te trekken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
rotzak , rotzèkske , ondeugend kind
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
rotzak , rotsak , vlaamse gaai (vogel).
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
rotzak , ròtzak , zelfstandig naamwoord , een onbetrouwbaar paard; Audio-opname 1978 – ik ha nòg nôot meej paard èn kar gereeje èn dè was toevalleg ok nòg zon ròtzak ôok…die sloeg van veure èn die sloeg van aachtere dus as ge daor nie oplètte koste en opsoodemieter krèège!” (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal