elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: scheid

scheid , [grens] , scheide , (vrouwelijk) , grens; aover de scheide, over de grens.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
scheid , scheid , schaaid , (skaait) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Grensscheiding. Thans schijnt onder deze naam alleen nog bekend te zijn het scheid tussen Krommenie en Assendelft. || Onder expresse conditie, dat Breedweers-sloot het scheyd sal wesen tusschen het Vierendeel van Zaardam ende het Kooger Vierendeel, Priv. v. Westz. 313 (a° 1634). De sloot die is gelegen langens de Clamdijk op het scheyt tusschen Crommenie en Assendelft, Hs. (a° 1700), archief v. Krommenie. (Een grafstede) leggende op ’t scheyt van de ouwde en nieuwe kerk, Hs. boedelscheiding Honig (a° 1755), verz. Honig. – Evenzo elders in Holl. || Op ’t Scheyt van Schalckwijck en Haerlemmer-liede (VAN SANTEN), Priv. v. Kennemerl. 264 (a° 1646). – In sommige delen van Z.-Holl. spreekt men nog van het scheid van een stuk land. – Vgl. banscheid.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
scheid , schei , scheiding in het haar. De schei is uit je haar gegaan. Een nieuwe schei, een mooie schei maken.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
scheid , schäid , mannelijk , scheiding (tussen twee percelen)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
scheid , skaejd , zelfstandig naamwoord, mannelijk , grenslijn tussen grondstukken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
scheid , sjeit , onzijdig , sjeiter , grensscheiding. Doe höbs alweier de päöl oppẹt sjeit oetgevaare: je hebt weer de grensstenen weggeploegd. Laot ver mer 'n hëk oppẹt sjeit paote: laat ons maar een haag op de grens planten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
scheid , scheid , grens.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
scheid , scheid , de , scheiden , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) = grens, scheiding Volgens mij stiet die liendepaol net op de scheid (Ruw), Nieuwlande heurt bij vief gemienten en daorum zeiden ze hier vrogger altied: de scheid (Hol), z. ook scheiding
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
scheid , geschéid , grens, scheiding: de Scheiwal li op ’t geschéid tussen Zelland en Langenbòm, de Scheiwal (waterloop) ligt op de grens tussen Zeeland en Langenboom.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
scheid , schaaid , zelfstandig naamwoord , schaaide , schaaidtjie , [O] afscheiding, grens Daer leg ’t schaaid Daar loopt de grens
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
scheid , sjèit , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , scheidslijn , sjèit VB: 't Wörd tiéd dats te oétsjejs mêt ploge want de bis al 'nne havve meter uüver 't sjèit.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
scheid , schaaj , scheiding , ’n schaaj in oew haor = een scheiding in je haar
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
scheid , schèèj , scheiding in het haar
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
scheid , schei , scheie , scheiding
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
scheid , sjeid , gesjeid , (onzijdig) , scheiding, grens, zie ook gesjeid , De moor stuit krek op ’t gesjeid. Dae stein liktj op ’t gesjeid: die steen geeft de grens aan tussen twee stukken grond.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
scheid , scheîd , zelfstandig naamwoord, onzijdig , einde, grens, scheiding; schej haarscheiding, verbindingsbalk van kar
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
scheid , schaaj , zelfstandig naamwoord , scheiding; De Wijs – (Man met kaal hoofd zegt tegen z’n vrouw) - Wè ziede aon me? (Geen antwoord) Kèk naa is goed of ge niks aan me ziet! (Geen antwoord) - Ik heb m’n schaai aon den aanderen kaant gelee. (17-10-1966); Cees Robben – Ik heb m’n schaai aon d’n aandere kaant geleej... (19661104); WBD akkerscheiding (grens tussen twee stukken grond), ook 'scheiing' of 'afschaajing' genoemd; de schaaj int midde; WBD schaajkaaj - grenssteen; WBD schaajvoor - scheidingsgreppel (tussen twee percelen); WBD schaaj (Hasselt) - ploegschei (voorste houten verbinding tussen ploegbalk en ploegzool); WBD schaajvoor (Hasselt) - scheidingsvoor (tussen afzonderlijke akkers); WBD schaaj (II:953) - schei, spanplank van een handweefgetouw; WBD schaaj (II:953) - schei, kamhout van een handweefgetouw; WBD (II:2789) 'schaaje' (mv.) - dwarsscheien tussen draagbomen van een kar (II:2790) 'schaaje' - verbindingsscheien tussen de berries (II:2791) 'trékschaaj' - trekschei van een kar (III.1.3:270) 'schei' = haarscheiding; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEE (scherpe e) zelfstandig naamwoord o. - scheiding, scheilijn, grenslijn. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ; zelfstandig naamwoord vr. 'schaei' -schei, scheiding (in het haar); WNT SCHEID - grensscheiding, grens; afscheiding, afpaling; enz. WBD III.4.4:202 'schei','scheiden' = scheiding; WBD III.4.4:221 'schaaj' = schaduw
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal