elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sleeuw

sleeuw , slee , stomp, niet scherp. Miin tande wordt slee, mijne tanden worden stomp. Die bile is nog de sleeste van alle, i. e. stompste. Het behoort tot die groote familie van woorden, die openende met sl iets slaps, slepends en onveerkragtigs uitdrukken, zoo als Got. slawan, zwijgen. A. S. slaew, lui. L. F. sleeuw, slaapkoppig, zouteloos. Isl. sliár, en slae, zammelig, zonder scherpte, stomp.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
sleeuw , sleef , ziekelijk
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
sleeuw , sleu , doof, stomp. Als de tanden door ’t bijten van appelen, druiven enz. min of meer krachteloos zijn, noemt men ze hier sleu.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
sleeuw , slee , hoort men vaak bezigen, wanneer de tanden door het eten van scherpe en harde, zure, wrange dingen, vooral van onrijpe boomvruchten, eene verregaande gevoeligheid en onaangename stomp- of botheid hebben gekregen, zoo dat het moeilijk valt en eene zekere weeheid veroorzaakt daarmeê te bijten; vergelijk op belzen, waar ik het verkeerdelijk van slijten afgeleid heb. Slee is eene andere uitspraak van sleeuw, als snee van sneeuw enz., zie ook Huydecoper op Melis Stoke, II, 220. Nog gebruikt men het woord van messen, scharen en andere snijdende voorwerpen, die stomp en bot zijn, hunne snede verloren hebben. Kiliaan heeft slee en sleeuw, en als synoniem er voor ‘egghighe en boomighe tanden.’ Zie aldaar. De Heer Hettema vergelijkt het Friesche sleeuw, beteekenende dom, onhandig, onoplettend, traag, stomp, met het IJslandsche slefia, phlegma, humor stagnans, Vrije-Fries, I, 183; vergelijk ook het Engelsche slow, langzaam, lui, alsmede Bilderdijk op Sleepruim.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
sleeuw , slee , (bijvoeglijk naamwoord) , stomp (van een mes, van de tanden en van een doorn gezegd).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sleeuw , slei , (bijvoeglijk naamwoord) = slee, sleeuw, stompheid of stroefheid der tanden, het eigenaardig pijnlijk, onaangenaam gevoel dat ontstaat door het gebruik van zuur of wrang ooft. Kil. slee, sleeuw = verstompt, verdoofd; sleeuwe tanden = stompe tanden; Oostfriesch slê, slêi, Westfaalsch sleë, Nederduitsch slee, slei, Middel-Nederduitsch slê, Oud-Saksisch slêu, Angel-Saksisch sléav, sláv, Oud-Engelsch slâu, Engelsch slow, Noorweegsch sljo, Zweedsch slö, Deensch slov, Oud-Hoogduitsch slôo, Middel-Hoogduitsch slê = machteloos, verstompt, verwelkt, moedeloos, traag, enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sleeuw , slé , (bijvoeglijk naamwoord) , Stomp. Sléë tanden. In de omstreken hoort men van snijdende werktuigen ook zeggen, dat ze slé zijn, doch in de stad: stomp.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
sleeuw , sleeuw , (bijvoeglijk naamwoord) , Loom, moe, zich onpleizierig voeldende, niet fit (Assendelft). || Wat ben ik sleeuw. – Evenzo in Fri. sleau, soezerig, niet bij de hand. Elders betekent sleeuw stomp, stroef (inz. van de tanden); zie de wdbb. Het woord is in verschillende talen bekend; vgl. b.v. FRANCK.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sleeuw , sleesch , bot, stomp, slee, van tanden. Men tande zijne zoo sleesch. Van zuring wor-je sleesch an je tande. Verg. Slēj, bij v. Schothorst.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
sleeuw , [stomp] , slé , (bijvoeglijk naamwoord) , Stomp. Sléë tanden. In de omstreken hoort men van snijdende werktuigen ook zeggen, dat ze slé zijn, doch in de stad: stomp.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
sleeuw , slee , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 wrang, 2 stomp. Zoo slee, iej kùent’r wal op noar Deawntr, erg stomp
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
sleeuw , slij , slee , (ouderwets), stomp
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
sleeuw , slee , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , Lusteloos, traag (bij ongesteldheid) (verouderd). Zie het N.E.W. onder slee = traag, stomp, wrang, en de variant sleeuw. Vgl. Engels slow. Zie Boek. onder sleeuw.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
sleeuw , slieë , stroef, bot; slieë taant “stroeve tanden”.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
sleeuw , slee , wrang, stroef.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
sleeuw , slee , stroef. De tande waern mien der slee van.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
sleeuw , sliw , sluw, sleeuw , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. op overzoete wijze pratend, liefkozend, overdreven flauw, kinderachtig 2. (van personen) een beetje suf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sleeuw , slieë , sleeuw, de tanden stroef makend , Es se kestaanjele of rebarber its, kriegs se slieë tenj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
sleeuw , sleej , armoedig. Zie het verhaal over Sleejen Aai in A.B.C.-verhalen
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal