elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sloof

sloof , slove , voorschoot
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
sloof , sloef , werkvoorschoot of boezelaar, welke in sommige dorpen de boeren en arbeiders dragen, ook sommige ambachtslieden. Zie Sloof.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
sloof , sloof , linnen voorschoot tot over de borst reikende, door metselaars enz. gedragen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
sloof , sloof , eene goede sloof voor eene vrouw, dochter of meid, die zich voor anderen afslooft.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
sloof , slucht , slöch , een ruwe schort.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
sloof , slob , (vrouwelijk) , slobben , voorschoot van graauw linnen of katoen; werkslob, hetwelk men gebruikt bij het schuren en schrobben; een ander van meer fijn en wit linnen dient vooral voor boerenmeiden bij de kaastobbe en de boterbereiding.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
sloof , slóve , (vrouwelijk) , sloof.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
sloof , sloofke , (sloofje); vrouwspersoon met weinig verstand, die er zich kwalijk doorredden kan, die zich alles laat welgevallen, onnoozele vrouw.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
sloof , sloof , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie de wdbb. – 1) Voorschoot, linnen of katoenen lap die men voorbindt om het boezel of de kleren te beschutten; ook door mannen gedragen. || Zen boodschappen onder ’en slofie houwen as ’et regent. – In deze zin algem. Nederl. 2) Kleine lantaren; hetz. als slons (zie aldaar). Oorspronkelijk wel eenvoudig een omhulsel van de kaars; vgl. FRANCK op sloven. Thans weinig gebruikelijk. 3) In de bouwkunde. – a) Dekbalk van een schoeiing. Synon. sloving. || ’En nuwe sloof op de schoeiiing leggen. – Ook elders gebruikelijk; zie b.v. PASTEUR-NOOT, Bouwk. Handwdb. 1, 92. Vgl. sloven. – b) Benaming voor de dekbalken aan weerskanten van de waterloop in een watermolen. || Die diepte vanden waterloop onder het scheprat sal wesen acht voet, vande binnenste bodem off (af) tot aende bovenkant vande sloven, Hs. bestek watermolen (a° 1634), archief v. Assendelft. – Zo ook elders. Zie Groot Alg. Moolenb. I, pl. 20; Groot Volk. Moolenb. I, pl. 11 en vgl. pl. 10.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sloof , sleuf , Verg. gloof, gleuf.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
sloof , sloove , vrouwelijk , slooven , slööfien , sloof
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
sloof , sloof , v , a/ voorschort b/ afgetobde vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
sloof , sloof , voorschoot, boezelaar
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
sloof , sloof , voorschoot
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
sloof , sloof , slove , de , sloven , (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Vaak verkl., ook slove (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = sloof Wat is dat een sloofie eworden en vrogger was het een mooie meid (Dwi), Een sloof is eein die aaid an het waark is, der niet al te best oetzöt, te gooud is veur een aander, waor die aander dan weer misbruuk van maokt (Eex), Een sloof is hardwarkend en onneuzel (Schn)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
sloof , sloof , voorschoot, sloop. verkl. sleufke.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
sloof , slove , afgetobde vrouw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
sloof , slove , sloof. Met zon olde slove zol ’n meense toch medeliejn kriegn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
sloof , sloof , slove , zelfstandig naamwoord , de 1. (vaak verkl.) vrouw die hard werkt, die de huishouding niet of nauwelijks aan kan, die er onverzorgd uitziet en die weinig of niets heeft in te brengen; ook wel van een zeer hard werkende man gezegd 2. (vaak verkl.) lage, halve schort
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
sloof , slôôf , zelfstandig naamwoord , slôôve , slôôfie , leren voorschoot Zie ook rêêpklêêchie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
sloof , slôôfie , zelfstandig naamwoord , slôôfies , vrouw die veel werk verzet
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
sloof , sloof , jute schort, voorschoot
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
sloof , slove , (zelfstandig naamwoord) , sleufien , sloof, afgetobde vrouw. Die vrouwe is een sleufien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
sloof , slwôôf , voorgebonden schort
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
sloof , sloof , schort dat tot het middel reikt, dus zonder bovenstuk.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
sloof , sloof , zelfstandig naamwoord, mannelijk , (Nederweerts) balk, dragende (gebint)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
sloof , sloof , zelfstandig naamwoord , slofke, slufke , voorschoot; WBD sloof (II:940) - voorschoot v. d. wever; ook 'veurschot' of 'slufke'; WBD sloof (I:1433) - zaaikleed, een door de zaaier aangebonden kleed, voorschoot of scholk, waarin hij het zaad draagt dat hij uitstrooit; WNT SLOOF - 5) voorschoot, schort; slofke - verkleinwoord; Henk van Rijen – sloofje, voorschootje; slufke - verkleinwoord; voorschootje; WBD slufke (II:940) - voorschoot v. d. wever; ook 'sloof' of 'veurschot'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal