elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: smiecht

smiecht , smîgt , smiegt , (mannelijk) , bedrieger (vgl. smûgen).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
smiecht , smicht , (Ommelanden), in: hij het ’r gijn smicht an, zooveel als: hij heeft er geen goed oog op, geen zin aan, waarvoor men in Holland zegt: hij heeft er geen pof op. Vgl. ’t Hoogduitsch schmiegen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smiecht , smiecht , zie: smiechel, en: smiechêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smiecht , smiechel , voor: laaghartige vleier, valschaard, als schimpwoord. Zie: smiechêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
smiecht , smiecht , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Gemene vent, smeerlap (scheldwoord). || Gooi die smiecht de deur uit. – Ook elders gewoon (MOLEMA 386; GALLÉE 41; OPPREL 83).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
smiecht , smiek , gemeene vent; smiecht. Zon smiek! Zulleke smieke! Gemêne smiek!
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
smiecht , smiekerd , m , achterbaks persoon [Mill]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
smiecht , smiecht , zelfstandig naamwoord de , 1. Smuiger, smeerlap. | Lilleke smiecht dat je d’r benne! 2. Bleek, zwak persoontje. Vgl. Fries smycht. Zie het N.E.W. onder smiecht, waar gewezen wordt op de vorm smiegen naast smuigen = sluipen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
smiecht , smiecht , de , smiechten , gemeen persoon. Ook een ondeugende slimmerik of een handig persoon Die vent dat is een gemeine smiecht (Erf), Een smiecht is ondeugend bij het gemeeine of (Bal), Wat die smiecht mij eflikt hef, is mit gien penne te beschrieven (Mep), z. ook smiegel, smocht, smodde
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smiecht , smocht , de, het , smochten , (Zuidwest-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = ondeugend persoon, die je in de gaten moet houden Dat smocht van een jong is de duvel op klaorlochten dag ontkreupen (Rol), Wat is dat een gemain kerelie, wat een smochtie (Eev), z. ook smiecht, smiegel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
smiecht , smeucht , zelfstandig naamwoord , de; weet (die men van iets heeft)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
smiecht , smiecht , zelfstandig naamwoord , de 1. ondeugend kind of gemene man 2. lust om te doen, om mee te maken, in ontkennende verb.
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal