elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: snuffen

snuffen , snoffen , (werkwoord) , snuffen, ruiken.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
snuffen , snoffen , (intransitief werkwoord) , huilen, krijten. Zoo een groote meid zit me daar nog te snoffen, dat is een gesnof van dat dwingachtig kind. Leg niet te snoffen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
snuffen , snüffen , Snuffelen en snuiven. Ook Limb. O. V. II. 228
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
snuffen , snoffen , (snòffə) , (zwak werkwoord, intransitief) , Snuffen, door de neus ophalen (gelijk verkouden mensen doen). In deze zin algemeen. || Snof zo niet, maar snuit je neus. – Ook: ingehouden huilen, snikken, snotteren. || Loop niet zo te snoffen. Zo’n grote meid zit me deer nag te snoffen. Evenzo elders in N.-Holl. (BOUMAN 99; O. Volkst. 2, 176).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
snuffen , snoffe , Ergens van snoffen, er van lusten, er zijn bekomst van krijgen. - Daor hepze an gesnof! Daor zal-die an snoffe! (dat zal hem berouwen!).
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
snuffen , snüffen , Snuffelen en snuiven. Ook Limb. O. V. II, p. 228.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
snuffen , snuffe , stevig drinken Héj hai ’m flink gesnuft. Hij had stevig drinken gedronken.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
snuffen , snoffe , snuffe , werkwoord , 1. Variant van snuffen. 2. Snuivend of snotterend snikken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
snuffen , snóffe , snotteren , Zit'ter nie zó te snóffe, vat ne zakdoek èn snut'tew neus ût, gebrûk'tew fesoen. Zit er niet zo te snotteren, neem een zakdoek en snuit je neus, houd je fatsoen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
snuffen , snuffe , snôffe , 1. een snuifje nemen; 2. snikken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
snuffen , snóffe , de neus ophalen, snotteren , Zowel letterlijk als figuurlijk.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
snuffen , snoffe , werkwoord , snotteren (Eindhoven en Kempenland; Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
snuffen , snuffe , werkwoord , snuftj, snufdje, gesnuftj , ruiken, snuiven
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
snuffen , snuffe , snoffe , zwak werkwoord , snuiven; Henk van Rijen – snotteren, jengelen, snuiven; WBD III.1.4:256 'snuffen' = snikken; WBD III.2.3:283 'snuffen' = snuiven, ook 'opsnuffen'; B snuffe - snufte - gesnuft; A.P. de Bont – zw.ww.tr. 'snuffen' - snuiftabak gebruiken, een snuifje nemen; Antw. SNUFFEN = SNOEFEN - snikkend weenen, snokken; door den neus snuiven. Kil . SNUFFEN - naribus spirare; snoffe - Henk van Rijen – de neus ophalen; WBD III.1.2: 'snoffen' = snotteren; WNT SNOFFEN = SNUFFEN - den neus ophalen, geluiden maken die voortkomen uit de aanwezigheid van slijm in den neus; snotteren
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal