elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: spakerig

spakerig , spakerig , heiïg, droog in de lucht, b.v. bij veenbrand. ʼt Is spakerig in de lucht. - Ook met betrekking tot een drogen mond: Ik bin zoo spakerig imme mond! Spakerigheid, heiïgheid, droogte van de lucht.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
spakerig , spaekerig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , erg drogend, met een erg droge lucht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal