elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stel

stel , stel , in: op stel zetten = plan maken, op touw zetten; hij het wat op stel = zijne vrouw is zwanger; ’n mooi stel, ironisch = een wonderlijk echtpaar; stelholten (bijvoeglijk naamwoord) = eikenhouten, van eikenhout; weefstel = weefgetouw. Kinderdeun: Wever, wever wup-op-stel, Wijt nijt wat’e weven zel; Weef mie dit, weef mie dat, Weef mie moar ’n hemd om ’t gad.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stel , stellen , stukken hout voor wagenmakers. Te Loppersum boeldag van: “Eene groote partij gesneden kuipers- en stelmakershout, bestaande in vellings, spijken, stellen, eidebalken,” enz. (1877).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stel , steltje , voor: stel, nl. van gouden, zilveren, enz. voorwerpen die bij elkander behooren, bv. eene broche en knoppen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stel , stel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Op stel zijn, in orde zijn. || Zie zo, de boel is op stel (alles staat weer op zijn plaats, b.v. na het kamer doen). Ik ben nog niet helemaal op stel (op streek, op dreef). – Ook elders in Holl. (vgl. b.v. WINSCHOOTEN, Seeman 289) en in het Stad-Fri.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stel , stel , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Bij vissers is een stel of visstel een bijeenhorend stel van netten, dat tegelijk wordt uitgezet. Vgl. stelfuik en de samenst. bleistel en basterdstel. – In verkl. steltje. || ’En steltje op de schoorstien (stel vazen, pendule met coupes enz.). ’En aardig steltje (b.v. een bokkewagen met bokken). Evenzo in het Stad-Fri. steltsje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stel , stel* , voor petroleumkooktoestel, bij v. Dale: petroleumstel.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
stel , stel , ond. ploeg, V, 53.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stel , stel , verg. bierstel, melkstel. - Een stel dair wy onse hout mede plegen te vueren, Rek. Buurk. 112.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
stel , stel , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze Op stel weze, alles in orde hebben, gereed zijn met het werk, met de schoonmaak enz. Vgl. Fries op stel wêze.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stel , steltje , zelfstandig naamwoord , 1. Stelletje, paartje, jongen en meisje. 2. Kooktoestelletje. Zegswijze ’n steltje op de kas(t) hewwe, een zoon en een dochter hebben. Waarschijnlijk werd letterlijk bedoeld, dat men een Jozefbeeldje en een Mariabeeldje op de kast had staan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stel , stel , in op stel(t) en sprong dadelijk Mot dat non op stel en sprung gebeuren? (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stel , stel , het , stellen , 1. stel, tweetal Dat stel, door kriej ok gien hoogte van echtpaar of ongetrouwd paar (Bov), Mien tante probeert altied stellegies te koppeln (Eri), Een stel klompen (Dwi) 2. groep Wie is de leider van het stel? (Dwi), Een mooi gezicht as het hele stel biggen bij de motte ligt (Hijk), Wat was het er een stel! lawaaiige bende (Eex) 3. gezelligheid (Zuidwest-Drenthe, noord) Zie hebt veul stel an ’n kaander (Die) 4. onderdeel van de wagen, waarin de assen zitten De stelmaoker hef het stel van de kor al klaor (Eex) 5. petroleumstel Der mut eulie in het stel (Dwi), Koffie, die laank op het stellegie stun, was pruttelkoffie (Row) 6. vazen op schoorsteen Zie hadden daor een mooi stel op bossum staon (Sle), z. ook stelsel 7. deel van de ploeg (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Het veurste deel van een olderwetse stelploeg heette het stel, ook wel karregien (Wsv), Met het stel van de plooug kuj de deeipte en de bredte stellen (Eex) 8. weefgetouw (Zuidoost-Drents zandgebied, ti), z. ook weefstel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stel , stel , 1. stel; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: lichaamsbouw
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stel , stel , zelfstandig naamwoord , de 1. in op stel en sprong direct, onmiddellijk 2. in de Rizziger stel bep. oude brug in de oude rijksweg bij Hooltwoolde
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stel , stel , zelfstandig naamwoord , et 1. paar: bij elkaar horende man en vrouw, jongen en meisje 2. groepje, aantal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stel , sjtel , zelfstandig naamwoord onzijdig , sjtelle , - , stel , VB: Dat ês e leuk sjtel, dy twie.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
stel , stel , stelleke , 1. paar; 2. echtpaar
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
stel , stélleke , paartje, stelletje, toestelletje , Chris én Marleen zén ’n schòn stélleke. Chris en Marleen zijn een mooi paartje., Òlliestélleke. Olie toestelletje.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
stel , stel , paar
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal