elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: taps

taps , tapsch , conisch. - Een tapsche kraan. Verg. taps bij v. Schothorst.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
taps , tips , schuin toelopend
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
taps , taps , tapser, tapste , taps.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
taps , tips , 1. in een punt uitlopen (taps); 2. tips.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
taps , taps , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , taps, schuin toelopend De tummerman har het pompeharte zuver taps of ewarkt (Ruw), Het dak löp taps toe (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
taps , taaps , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied) = uitgelaten, dartel Den is toch zo taaps de leste tied, het is net een peerd (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
taps , taps , kegelvorming
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
taps , taps , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , taps, kielvormig lopend
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal