elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: teruguit

teruguit , teruguit , achteruit, achterwaarts. Teruguit! b.v tot een paard voor een kar. Verg. ruggesuut, bij v. Schothorst 191.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
teruguit , trukuu , terug, achterwaarts. Trukuu zëtte: terugzetten, achterwaarts zetten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
teruguit , teruguut , truggesuut, truggesop , achteruit.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
teruguit , truugku! , achteruit! (commando aan een paard) zie ook haar! heru! hot! hao! houw! jö! juuj!
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
teruguit , truukoe~t , achteruit
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal