elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: teugel

teugel , tögel , (mannelijk) , teugel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
teugel , teugel , Op ééne teugel loopen, met het hoofd eenigszins scheef naar één kant.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
teugel , tüüegel , [tǖegәl] , teugel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
teugel , togel , zelfstandig naamwoord de , Verouderde variant van teugel. Het woord is een afleiding van tijgen = trekken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
teugel , teugel , de , teugels , teugel Van pakkiestouw kuj zulf best teugels drellen (Oos), Hij leup mit peerd an de teugel (Hgv), Wij holdt de koe ook an de teugel vaste aan het hoorntouw (Hav), Hij haar het peerd goud in de teugels onder controle (Row), (fig.) Hie lop op lösse teugel zonder gezag, niemand heeft zeggenschap over hem (Sle), Hie holdt de kinder in teugel houdt ze strak (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
teugel , teugel , teugel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
teugel , teugel , zelfstandig naamwoord , teugel; - Iemand singelen, waarmee men bedoelde: zijn werk of gangen nauwkeurig nagaan. Verwant hiermee is: iemand op de teugel rijden. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal