elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vreet

vreet , vreet , freet , scherp, bijtend, prikkelend. , Dat is vreete wijn. Azijn is vreet.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
vreet , vret , gebraadje; “Voogd op ’t ailand vangt sums mit ’n net ais ’n paor wille ain’n, den het ’e ook nog ais’n vret.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vreet , vreet , gezicht, gelaat. - Een zuur vreet, een zuur, onaangenaam gezicht. Verg. nhd. Frässe, Fresse, Gefräsz(e); (afrik.?) gevreet, bij Hesseling, Afrikaans, 2de dr. 80.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
vreet , freet , zelfstandig naamwoord de , Plat voor mond of (aan)gezicht. | Hai kreeg ’n klap voor z’n freet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vreet , vreet , 1. voedsel voor het vee; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: het vreten. An de vreet ‘vretende’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
vreet , vreet , zelfstandig naamwoord , de; (ruw) bek, mond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal