elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vuilnis

vuilnis , vullis , Vuilnis.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
vuilnis , vullis , (onzijdig zonder meervoud) , vuilnis, stof, vuil; “het vullis van den vloer” d.i.: het onruim, stof en vuilnis, fig. de kinderen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vuilnis , voelens , zie: voelsel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
vuilnis , vulles , vuilnis. Doet dammaar bij ʼt vulles. De vullesbak; de vullesman. - Van die vullens … wech te voeren bi den duytschen huze, Rek. Buurk. 111.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
vuilnis , vulles , zelfstandig naamwoord ’t/de , Het vuilnis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vuilnis , foënes , enne dölles; enne luie foënes: enne luie meens.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
vuilnis , vulles , 1) nageboorte; 2) afscheiding uit de schede van de ooi, tot ongeveer 1 week na de bevalling.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
vuilnis , voelnis , vuulnis, vuilnis, vullis-, vulnis- , de , Ook vuulnis (Zuidwest-Drenthe, zuid), vuilnis (Zuidoost-Drents veengebied), in samenstellingen ook vullis- (Zuidwest-Drenthe, zuid), vulnis- (Zuidwest-Drenthe, zuid) = vuilnis Ik gooide het harksel bij de voelnis (Nor), Ik zal de voelnis even op de eerbult gooien (Gro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vuilnis , voelens , voelings, voeles, voelis, voels, voelse, voel, voe , zelfstandig naamwoord , de, et; het vlies, de vliezen van de nageboorte van koe en varken, ook van een paard, ook wel van andere zoogdieren, zoals geiten, schapen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuilnis , vullis , vuulnis , zelfstandig naamwoord , et, de; vullis, vuilnis
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
vuilnis , vulles , zelfstandig naamwoord , vuilnis
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vuilnis , vulles , vulnis , (zelfstandig naamwoord) , vuilnis.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
vuilnis , vullis , vuilnis. Vuilis (W)
Bron: Gast, C. de (2011), ’t Boekske van de Aolburgse taol, Wijk en Aalburg: Stichting behoud Aalburgs dialect.
vuilnis , vullis , vuilnis.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
vuilnis , voeles , zie voelnes
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
vuilnis , voelnes , vuilnis ook voeles
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
vuilnis , völles , völnes , zelfstandig naamwoord , völlekes , vuilnis; WTT 2012 – het ontbreken van de n wordt als dialectisch beschouwd maar was vroeger normaal. Het WNT hierover: 'VULLIS, znw. vr. en onz., mv. -sen (...) Mnl. vuulnisse. Daarnaast zijn ook de vormen vuilis, vulnis, vulle(n)s en vuilens aangetroffen. De vorm vullis (...) blijkt jonger te zijn dan vuilnis. In de 16de en 17de e. worden beide op dezelfde wijze gebruikt; later blijkt vullis eerder tot de volkstaal te behooren en vuilnis tot meer formeel taalgebruik.'; völnes - Henk van Rijen - vuilnis; WBD III.3.1:329 'vuilnisbelt' = stort; ook genoemd: 'belt', 'vuilnishoop'; völlekes; Henk van Rijen - vuilnisbelt; Stadsnieuws -  'Brèngt dieje ròtzôoj mar nòr de völlekes' - naar de stort (311007)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal