elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: zijn eigen

zijn eigen , zen eige , der eige , zich. Hij wasch zen eige. Hij het zen eige te kort gedaon, zich verdronken of verhangen.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
zijn eigen , zenèège , voornaamwoord , zie èège; zie derèège; zijn eigen; zichzelf, zich; mannelijk; Henk van Rijen - hij doeget öt zenèège - hij doet het vanzelf (uit zichzelf); Henk van Rijen - zenèège moeje - zich bemoeien; WBD III. 1. 2:228 'van zijn eigen af vallen', 'van zijn eigen af gaan', 'van zijn eigen gaan' - flauwvallen; WBD III. 1. 2:231 'van zijn eigen', 'van zijn eigen af' = bewusteloos; WBD III. 1. 4:442 'zijn eigen generen' = zich schamen; B toe zenèège koome - tot zichzelf komen; Pierre van Beek - van zenèège valle - bewusteloos worden; Cees Robben - Ieder vur zich, zi de pestoor. . . èn hij zeegende zenèège et irst; Cees Robben - doeget mar in oewen èègeste; Cees Robben - en stukske grond òn zenèège; V van zenèègen afvalle - flauwvallen; Henk van Rijen - zenèège tekòrtdoen - zichzelf vergeten; Frans Verbunt (1996) - gèère op zenèège; Antw ZIJN (heur, hun) EIGEN - zich; op zijn eigen zijn - geerne alleen zijn. Op zijn (mijn uw) eigen - onafhankelijk
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal