elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: schel

schel , schel , (bijvoeglijk naamwoord) , klinkend, helder van geluid. De lucht is schel, men kan geluid gevende voorwerpen op verren afstand hooren: in den winter dikwijls een voorbode van vorst, in den zomer van regen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
schel , schel , in: in de schel kriegen = iets laten uitroepen of omroepen door den omroeper die door ’t luiden eener bel het volk op zijne aankondiging opmerkzaam maakt; hij het ’n allozie in de schel = hij maakt bekend dat er een horloge verloren is.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schel , schel , baan waar een paard op loopt. Gron. Volksalm. 1838, bl. 87.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
schel , schel , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Ook van de lucht gezegd, als men geluiden op verre afstand kan horen. || Wat is de lucht schel; der kon wel ders regen komme. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 92).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schel , schel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie een zegsw. op heien.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
schel , schel , fel. schel lecht: fel licht
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schel , schelle , vrouwelijk , schel, bel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
schel , skel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1 scheef, 2 scheel, 3 verblindend
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schel , skelle , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , skeln , skellken , bel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
schel , sjel , vrouwelijk , sjelle , sjelke , bel, schel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
schel , schel , scherp, b.v. schelle stem = harde stem.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
schel , schelle , bel.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
schel , schel , schel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schel , schelle , bel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
schel , schel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. schel, scherp Jaantien hef zo’n schelle stemme, ie heurt heur overal boven uut (Hav) 2. scheef, krom Die deur is zo schel, ij kriegt hum niet meer dicht (Eex), De ploug is schel (Zey), Een plaanke van lindenholt trök oe onmiddellijk schelle; lindenholt zit gien draod in (Zdw) 3. fel (Midden-Drenthe) Dat locht is aordig schel an de ogen (Bei) 4. met scheve kopje en schoteltjes (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Het servies is schel (Rod), z. ook schellig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schel , schel , schelle , de , schellen , Ook schelle (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, veengebieden Oost-Drenthe) = 1. bel De winkels hadden vrogger een schel an de deur (Pdh), De schelle is van an de fietse of (Hol), As misdeiner mussen wie de schelle gebroeken altaarschel (Bco), Aj mor een schel an de deur hebt, dan hej de kost kocht, is een aold gezegde van vroeger dan hoorde je bij de rijkeren (Eke) 2. walmvanger boven de lamp Het schellegien baoven de laampe mag wel ies schoon emaakt worden (Hgv), z. ook schal II
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
schel , skel , scheef
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schel , skelle , bel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
schel , schelle , bel, schel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
schel , schelle , schalle , zelfstandig naamwoord , de 1. deurbel, deurschel 4. fietsbel of klein belletje anderszins 2. (vaak verkl.) walmvanger, d.i. minder plat van vorm dan een blaekertien 3. hetz. als lelle, bet. 1, ook oorlel bij pluimvee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schel , schel , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. schel van geluid 2. scherp, sterk van licht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
schel , skel , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , schel. Die vrouwe ef een skelle stemme.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schel , skelle , (zelfstandig naamwoord) , bel. Zie ook: belle.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
schel , schèl , hoog en doordringend van klank, fel van licht
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schel , schèl , bel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
schel , schèl , zelfstandig naamwoord , bel (?), fornuis; - schors van een naaldboom; zachte huid van een vrucht, ook: schil, vèl, hèùd; - gez. Pierre van Beek - de schel schudde - met veel lawaai de mond roeren (gezegd van een vrouw); Henk van Rijen - zèt de môor mar op et schèl - zet de ketel maar op het fornuis (Tilburgse Taalplastiek 173); Henk van Rijen - kacheldeksel: 'Zèt de môor mar op ut schèl' = Zet de waterketel maar op het fornuis. In et veurjaor maaide onze vadder enne kwak braandnetels en die wiere der bij gedaon saomen meej die schellen waar dè prima vreten veur de vèèrkes. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); WBD III.4. 3:104 schèl, schors - schors van naaldbomen; WBD III.3. 3:l62 schèl = altaarbel; WBD III.4.4:148 'schel' = aardlaag; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEL zelfstandig naamwoord  v. - schil, afgesneden pel v. aardappelen, peren enz. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. 'schel'; zegsw. 'Ze kan d'r schäl wa schudde!' - Ze kan wat luide en met veel drukte praten: (gezegd van praatzieke, schelsprekende vrouwen). zelfstandig naamwoord  vr, 'schel' - schil
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal