elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aanbollen

aanbollen , [zoenen] , aanbollen , (intransitief werkwoord) , kussen, zoenen. Op vrolijke gezelschappen van beiderlei kunne, waar men onderling pret maakt, is dit woord hier niet vreemd: niet zelden hoort men daar: komt laat ons nog eens aanbollen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
aanbollen , aanbollen , (anbollǝ) , (zwak werkwoord, intransitief) , Met een bol (klomp) van ijs omgeven worden, met ijs omvriezen. Van vaarbomen die zich halfweg in ’t water bevinden, en waaraan zich bij vriezend weer aan het watervlak een bol van ijs vastzet. || Haal de bomen uit ’et water, aars ben ze morgenochtend an’ebold. – Zie bollen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aanbollen , anbolle , werkwoord , Schertsend voor zoenen. Eigenlijk de bollen of hoofden bij elkaar brengen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal