elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: aangezicht

aangezicht , azend , (onzijdig) , azenden , aangezigt, bakhuis, bakkes. Een mooi azend. Een klein persoontje, laag op de voeten, een smal azend en kleine oogjes; zoo noemt men spottend een varken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
aangezicht , azend , (ázǝnt) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Aangezicht, bakkes. Weinig gebruikelijk. || Ze heb ’en lief azend. – Evenzo elders in N.-Holl. In de Beemster beschrijft men een varken als een klein persoontje, laag op de voeten, een smal azend en kleine oogjes, BOUMAN 4. In de oude kluchten komt assent, asingt, herhaaldelijk voor, b.v. BREDERO, Klucht v. d. Koe, 459: Met sucken sattynen neus, vol dyamanten, root, en blanckjes. Ick gheloof niet datter kostelijcker aasingt inde stadt is. Vgl. OUDEMANS, Wdb. op Bredero 6. Ook schertsend voor achterkwartier, achterste. || Nou, nou, jou azentje ken ofgeven! je stinke zeuven vamen in de wind!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
aangezicht , azent , zelfstandig naamwoord ’t , Aangezicht (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
aangezicht , angezicht , zelfstandig naamwoord , et 1. mombak 2. aangezicht, gelaat
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
aangezicht , ôngezicht , gelaat
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal