elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterbaks

achterbaks , achterbaaks , (bijwoord) , ook wel achterbaks of achterbanks, achter den rug. Iets achterbaaks houden, schuil houden, verbergen. Zich achterbaaks houden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
achterbaks , achterbaks , (bijvoeglijk naamwoord) , onoprecht.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
achterbaks , achterbaks , in de uitdrukking: achterbaks blieven = terugblijven, achterblijven; iets achterbaks schoeven = laten rusten, of: op de lange baan schuiven; achterbaks eten = in ’t geniep snoepen, nl. van groote menschen. Aldus ook in Noord-Holland waar het begint te verouderen, en Oostfriesch – Als bijvoeglijk naamwoord = terughoudend, niet openhartig. Oud-Friesch back, bek, Deensch bag = rug (nog in ons: bakboord), en zoo: achterbaks = achter den rug, in het geheim. Vgl. v. Dale. art. achterbaks, en: achterbaksch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achterbaks , achterbaaks , bijvoeglijk naamwoord , Variant van achterbaks (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
achterbaks , achterbaks , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. niet te vertrouwen, geniepig Hij is nooit rechtuut, altied achterbaks (Mep), Het rechte vertelt hij nooit, hij is altied zo achterbaks (Hav), Wat een aachterbaks gedoe (Dwi) 2. achter de hand (Zuid-Drenthe) Het is aaid makkelijk, aj wat geld achterbaks hebt (Sti) 3. achteraf (Zuidoost-Drenthe) Hij heul zuk achterbaks, hij wol zuk nich zein laoten (Bov), Blief niet zo achterbaks staon, kom mar ies veur het front (Oos), IJ moet je problemen niet altied achterbaks holden voor je houden (Gro), Die vent zeg nooit precies woor het op stiet; hij holdt altied wat achterbaks (Bro), Ik heb het zo lang achterbaks holden stil gehouden (N:Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterbaks , achterbaks , achterbaks
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
achterbaks , aachterbaks , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , 1. achterbaks, geneigd stiekem te doen 2. zich op de achtergrond houdend, vaak: zodat men niet opvalt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal