elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterkontig

achterkontig , [achterdochtig] , achterkousig , (bijvoeglijk naamwoord) , achterhoudend, geveinsd, achterdochtig. Hij houdt zich maar achterkousig, is niet rondborstig.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
achterkontig , achterkontig , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , achterdochtig (LPW: Lop) Zie ook *opgelicht . In Gouda heeft dit woord de betekenis ‘achterhoudend, achterbaks’ (Lafeber 1967, p. 56) Van Dale (1992, p. 57) vermeldt achterkousig , met als betekenis onder andere ‘achterdochtig, wantrouwend’. Deze vorm is afkomstig van het Middelnederlandse koytsen (babbelen), een intensiefvorm van kouten . In sommige dialecten heeft -koytsig zich dus ontwikkeld tot -kousig , in de Utrechtse en Zuidhollandse dialecten tot -kontig .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
achterkontig , achterkonteg , bijvoeglijk naamwoord , achterbaks Ze is nogal achterkonteg, ze heppet achter d’r ellebooge Ze is nogal achterbaks, ze is niet te vertrouwen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
achterkontig , achterkontig , schijnheilig, achterbaks (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
achterkontig , achterkontig , geheimzinnig
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal