elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterom

achterom , achterom , (onzijdig) , achterommen , korte regel, zoutkamer. In de meeste koestallen vindt men hier een lange en een korte regel met nog een achterom waar ook vee gestald kan worden: doorgaans wordt het achterom des zomers tot zoutkamer ingerigt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
achterom , achterom , (klemtoon op: ach), in de uitdrukking: achterom is ’t kermis! wat men hoort als iemand voorslaat achterom te gaan, zooveel als: o ja, laten wij dat doen, dat zal pleizieriger zijn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
achterom , achterum , achterom.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
achterom , achterumme , achterom
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
achterom , âchterum , m , achterom âchterum is ’t kérremis! langs de achteringang [Dit was een gezegde in Brabant wanneer er aan de voordeur werd geklopt.]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
achterom , achterom , bijwoord , in de zegswijze achterom moetje deer niet komme, gezegd van een rommelig huishouden. – Achterom weunt gien volk, als het voor het oog maar netjes is, de rest komt er minder op aan – Achterom kroig je ’n dik stik, gezegd door iemand die zo vrij is achterom te komen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
achterom , achterom , zelfstandig naamwoord ’t , 1. Steeg, doorgang achter de woning. 2. Plaats waar in een stolphoeve het jonge vee wordt gesteld, korte regel of zoutkamer.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
Achterom , Achteróm , (plaatselijke benaming) voor de buurt Helen Paradijsstraat. Achteróm is ’t kirmes: er wordt gevochten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
achterom , achteróm , mannelijk , achteringang.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
achterom , aachteròm , bijwoord, zelfstandig naamwoord , achterom, achteringang. 1. Als de voordeur is gesloten of niet toegankelijk zegt men: Aachteròm is ’t kèrmes. 2. Achteringang. Boerke Kluyt moes meej z’n stròntimmers dur hil ’t hùis, want ze han daor ginnen aachteròm. Boer Kluytmans moest met z’n volle strontemmers door het hele huis, want ze hadden daar geen achteringang. Ook: aachterum.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
achterom , [plaatsje achter huis] , achterom , zelfstandig naamwoord , plaatsje of tuintje achter het huis (KRS: Werk, Hout) De Vechtstreek heeft *achteruitje (Van Veen 1989, p. 29).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
achterom , achterumme , achterom.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
achterom , achterum , bijwoord , achterom De winkel was al dichte, daorum gungen wij mor even achterum (Hijk), Zie mugt gien drank verkopen, mor zie doet het wal achterum (Stu), Harm, kiek non is ’n keer veur je en zit niet mèer achterum (Hijk), Het straotien achterum langs lopen (Man), Achterum is het kermis tegen iemand die achter je staat en voor wie je niet op zij wilt gaan (Ass)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
achterom , aachterum , achterom. aachterum is’t kermis, kom maar achterom.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
achterom , achterumme , achterom
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
achterom , aachterum , achterom , We gôn bè de gebuur aachterum, dé's hier't gebrûik, héij hi nog gin'ins 'n bèl. We gaan bij de buren achterom, dat is hier het gebruik, hij heeft niet eens 'n bel.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
achterom , aachteromme , aachteromme- , achterom(-)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
achterom , aachterum , achterom
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
achterom , aachterom , achterom.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
achterom , achterumme , (bijwoord) , achterom. Achterumme binnenkommen; IJ giet achterumme; Kiek es achterumme.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
Achterom , Achterummegien , (zelfstandig naamwoord) , 't Achterummegien, ‘t Achterom, een klein straatje aan de Kamperpoort tussen de Meeuwenlaan en het Nachtegaalplein waar stadstype Blauwe Ale vroeger een snoepwinkeltje had.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
achterom , âchterum , achterom , Âchterum ist kérmis. Achterom is het kermis. Achterom zijn wij bereikbaar.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
achterom , achteróm , (mannelijk) , 1. achterom 2. ruimte achter het huis , Achteróm is kirmes.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
achterom , achterum , bijwoord , achterom
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
achterom , achterum , zelfstandig naamwoord, mannelijk , achteringang
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
Achterom , Achterom, ’t , oorspronkelijk aangelegd als steegje (zie Lammetjiesgang), later liep ’t Achterom achter het (inmiddels gesloopte) hoofdpostkantoor. Er was onder meer de Rumfordse soepkokerij gevestigd, de spijzen bestonden uit krachtige soep, bereid volgens een recept van de Amerikaanse weldoener Benjamin Thomson, duke of Rumford; de soep werd door leden van de hervormde diaconie aan behoeftige mensen verstrekt (zie ook: Hofbrood; Soephuis); later stond er ook een ijsfabriek. De ‘Krom-Achterom’ en ’t hofje Welgelegen behoorden tevens tot dit gebied. Nu is het een belangrijke verkeersader, die voorlangs een deel van het centrum loopt
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
achterom , aachterom , zelfstandig naamwoord , achterom, door de achterdeur; Achteringang; ook: aachterum; Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): achterom (VIII:21); WNT Als zelfstandig naamwoord : Dat gedeelte aan de achterzijde v.e. boerenstolp, waar des winters het jonge vee gestald wordt; soms als straatnaam.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
achterom , aachterom , bijwoord , "achterom, door de achterdeur; – as we jou tóch nie han, èn de vurste deur nie, dan moesse we aaltij aachterom; – Aachterom ist kèr(e)mes - laat de bewoners niet onnodig naar de voordeur komen; ga gerust achterom .Van Beek - ""Achterom is kermis"", de buren lopen immers achterom en gaan niet door de voordeur binnen.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959); Jan Naaijkens, Dès Biks (1992): 'Aachterom' bijw.zelfstandig naamwoord: Aachterom is 't kèrmis"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
achterom , achterum , achterom
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal